direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Holtenbroek, Händellaan 239-241
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0193.BP15007-0004

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het perceel aan de Händellaan 241 wordt verhuurd door de gemeente. Op het perceel staat een verenigingsgebouw. De huurder heeft de huur opgezegd. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeente besloten het perceel te verkopen en het verkooptraject te starten. De gemeente heeft met één initiatiefnemer (de achtergelegen sportschoolhouder Loekies gym) overeenstemming bereikt over de verkoopprijs en -voorwaarden.

De initiatiefnemers exploiteren op het perceel aan de Händellaan 239/239a een begeleide woonvorm voor jongeren met een beperking. Tevens bieden zij aan de jongeren sport als dagbesteding aan vanuit hun sportschool. Onder de noemer van “Trainingscentrum Overijssel (TCO) (een aan Loekies gym gelieerd bedrijf), is de initiatiefnemer voornemens het bestaande verenigingsgebouw te slopen en de bestaande, achtergelegen sportschool uit te breiden en nieuwbouw te realiseren op het perceel Händellaan 241. In de nieuwbouw worden een activiteitenruimte en wooneenheden voor begeleid wonen voor jongeren beoogd.

De percelen Händellaan 241 (eigendom gemeente), 239/239 A (eigendom initiatiefnemer) hebben in het geldende bestemmingsplan Holtenbroek de bestemming Sportdoeleinden S. Deze bestemming is niet overeenkomstig het huidige gebruik dat een maatschappelijk karakter heeft. In het bestemmingsplan dat van kracht was tot maart 2003 hadden de percelen de bestemming Bijzondere doeleinden. Om het nieuwe initiatief planologisch mogelijk te maken en de huidige bebouwing overeenkomstig het gebruik te bestemmen, wordt in dit bestemmingsplan de percelen weer bestemd als maatschappelijk. Tevens wordt de verleende omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning op het perceel Händellaan 239/239a overeenkomstig de bestemming Maatschappelijke doeleinden bestemd. Tenslotte zijn de aangrenzende percelen aan de westzijde van deze percelen meegenomen. Ook voor deze percelen geldt dat deze in het geldende bestemmingsplan niet overeenkomstig het huidige gebruik ( parkeren, verkeer en groen) zijn bestemd.

1.2 Plangebied

Het plangebied omvat de percelen Händellaan 239 -241 en gedeelte van de aangrenzende percelen aan de westzijde van deze percelen.

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied valt in het bestemmingsplan 'Holtenbroek'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 14 juni 2010 (besluitnummer EC1004-0044). Op 9 september 2010 is het bestemmingsplan in werking getreden.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Ruimtelijk beleid

2.1.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Ruimte en Infrastructuur

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Ruimte en Infrastructuur (hierna: SVIR) vastgesteld. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden. De SVIR geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028.

Uitgangspunt van de SVIR is decentraal wat kan, centraal wat moet. Bij het bepalen van wat centraal moet, zijn slechts 13 rijksbelangen omschreven. Een rijksverantwoordelijkheid is slechts dan aan de orde, als:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, of;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, of;
  • het een onderwerp betreft dat provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.

Conclusie

Er is bij het plan geen sprake van rijksbelangen, waardoor de conclusie is dat het plan niet in strijd is met het rijksbeleid.

2.1.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Met de inwerkingtreding van het Barro heeft er ook een wijziging plaatsgevonden van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Bro is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie art. 1.1.1 Bro) mogelijk maakt.

Een stedelijke ontwikkeling is een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Het onderhavige project betreft een begeleide woonvorm voor maximaal 15 jongeren en een ondergeschikte, niet-zelfstandige activiteitenruimte op de locatie van Drumfanfare Prins Willem-Alexander. De betrokken organisaties zijn Trainingscentrum Overijssel en Stichting Sportief buurthuis Boxing Plaza. Door dit project ontstaat een volwaardige sociaal-maatschappelijke voorziening, waarin ruimte is voor maatschappelijke opvang en professionele hulp voor maximaal 15 jongeren met 24-uurs begeleiding (begeleid wonen). Daarnaast voorziet het project in een ondergeschikte activiteitenruimte. Deze ruimte wordt in hoofdzaak gebruikt als activiteitenruimte voor de jongeren. Dit is passend binnen de begeleide woonvorm. Tevens is het de bedoeling om het te gebruiken als ruimte waar de jongeren en de buurtbewoners elkaar kunnen ontmoeten. Hierdoor staat de activiteitenruimte uitsluitend ten dienste van de begeleide woonvorm en is niet zelfstandig bruikbaar. Zowel het (maximale) aantal jongeren dat opgevangen wordt, als de functie van de activiteitenruimte voor de jongeren en als ontmoetingsplek met de buurt, is juridisch-planologisch geborgd in de planregels.

In combinatie met de reeds bestaande, aangrenzende sportschool ontstaat hiermee een uniek integraal zorgconcept, waarin de combinatie van begeleid wonen, sport en een activiteitenruimte ervoor zorgt dat jongeren met een zwakke sociaal-maatschappelijk uitgangspositie (weer) volwaardig kunnen participeren in de maatschappij.

De realisatie van begeleide woonvorm voor maximaal vijftien jongeren en een activiteitenruimte is aan te merken als de ontwikkeling van een nieuwe stedelijke voorziening en daarmee als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat toetsing aan de Ladder van toepassing is.

Door Bro is onderzocht of er behoefte is aan de gewenste ontwikkeling. De resultaten zijn neergelegd in het advies Ladder voor duurzame verstedelijking Händellaan Zwolle, dat als Bijlage 1 is opgenomen bij deze toelichting.

Hieronder zijn de resultaten uit het onderzoek weergeven.

Trede 1: Regionale behoefte

De eerste stap die de ladder voorschrijft is om te motiveren dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

Bij de bepaling van de actuele regionale behoefte, dient zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte in beeld te worden gebracht. Hoewel ook jongeren vanuit de regio doorverwezen kunnen worden, is het project in de basis een lokaal project met een lokale doelgroep, zijnde de jongeren binnen de gemeente Zwolle. Hiermee is de relevante regio afgebakend tot Zwolle.

Met betrekking tot maatschappelijke voorzieningen is het moeilijk om de exacte kwantitatieve behoefte aan te tonen, deze is namelijk sterk afhankelijk van beleidskeuzen (waar wordt subsidie of een tegemoetkoming voor verstrekt, c.q. door de overheid in geïnvesteerd), en de beschikbaarheid. Voor een groot deel creëren maatschappelijke (sociale en zorg-) voorzieningen hiermee hun eigen vraag. Dit neemt niet weg dat in hoofdlijnen de behoefte wel onderbouwd dient te zijn (zie ook ABRvS, 8 juli 2015, nr. 201404099/1/R3).

Hoewel sprake is van een geïntegreerde benadering, waarbij bewoners van de begeleid wonen-units ook bijdragen in de activiteitenruimte, kunnen toch twee hoofdfuncties onderscheiden worden, die in het kader van de Ladder van belang zijn: de 15 begeleid wonen-units en de activiteitenruimte voor bewoners.

Kwantitatief kan derhalve gesteld worden dat sprake is van een substantiële potentiële doelgroep, die de komende jaren naar verwachting niet zal afnemen, terwijl de druk op de jeugdzorg juist toeneemt. Het onderhavige initiatief kan dan ook een bijdrage leveren om deze druk te verminderen.

Kwalitatief is het initiatief onderscheidend ten opzichte van de reguliere aanbieders van begeleid wonen voor jongeren. Immers, er is sprake van een integrale aanpak waarbij de bewoners niet alleen in hun woonsituatie begeleid worden, maar ook ondersteund worden in hun maatschappelijke ontwikkeling, en hun ontwikkeling op de arbeidsmarkt. Daarbij wordt sterk ingezet op sportbeoefening als hulpmiddel tot zelfontwikkeling, waarmee de ontwikkeling in zijn volle integraliteit zich onderscheidt.

Hiermee wordt voldaan aan de eerste trede van de Ladder.

Trede 2: Bestaand stedelijk gebied

De tweede stap die de ladder voorschrijft is om te motiveren of de behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied is op te vangen. Daarbij wordt verstaan onder bestaand stedelijk gebied het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

De realisatie van het project vindt plaats binnen het stedelijk gebied van Zwolle, te weten in het voormalige gebouw van Drumfanfare Prins Willem-Alexander. De locatie grenst aan de bestaande sportschool. Juist de mogelijkheid om een sportschool met begeleid wonen en een ondergeschikte activiteitenruimte te combineren, heeft geleid tot de keuze voor de locatie aan de Händellaan. Doordat wordt ontwikkeld op een bestaande locatie met een bestaand gebouw is sprake van herstructurering en transformatie. Hiermee wordt voldaan aan de tweede trede. Doordat binnen bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, is een toets aan trede 3 niet meer aan de orde.

Trede 3: Aanbod multimodale locaties buiten bestaand stedelijk gebied

De derde stap die de ladder voorschrijft moet worden doorlopen als de behoefte niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen. De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied, daarom behoeft deze stap niet verder te worden uitgewerkt.

2.1.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft op 1 juli 2009 de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening vastgesteld. Hierin is het ruimtelijk beleid van de provincie vastgelegd. In het beleid van de provincie staan de zorg voor ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid centraal. Deze elementen zijn derhalve binnen de hele omgevingsvisie terug te vinden.

De sturingsfilosofie van de provincie is als volgt samen te vatten: als sprake is van een bepaalde ontwikkeling, dan moet eerst worden nagegaan, aan de hand van de generieke beleidsuitgangspunten die in de Omgevingsvisie zijn opgenomen, of er behoefte is aan de ontwikkeling. Indien dat zo is, moet worden nagegaan of de gekozen plek geschikt is voor het aldaar doorvoeren van de ontwikkeling.

Om antwoord te kunnen geven op die laatste vraag dient de ontwikkelingsperspectievenkaart bekeken te worden. Wanneer uit die kaart blijkt dat een ontwikkeling, zoals gepland, niet in strijd is met deze kaart, kan verder worden bezien hoe de ontwikkeling vormgegeven moet worden. Hierbij heeft de provincie gekozen voor een vierlagenbenadering, in welke benadering vier kaarten/lagen worden onderscheiden. Dit zijn de natuurlijke laag, de laag van het agrarische cultuurlandschap, de stedelijke laag en de lust- en leisurelaag. Samen met de catalogus gebiedskenmerken kan worden geconstrueerd welke kenmerken per laag van belang zijn om rekening mee te houden bij de planvorming.

Ontwikkelingsperspectief

Uit de kaart Ontwikkelingsperspectieven blijkt dat de locatie in het gebied ligt dat is aangemerkt voor 'veelzijdige leefmilieus, breed spectrum woon-, werk- en mixmilieus' met de subcategorie 'woonwijk' en de beleidsaanduiding 'beekdal'. In de gebieden aangemerkt als 'woonwijk' is ruimte voor herstructurering, inbreiding en transformatie naar diverse woon- werk- en gemengde stadsmilieus.

Gebiedskenmerken

Op de Gebiedskenmerken kaarten blijkt dat de natuurlijke laag van het plangebied aangemerkt dient te worden als 'dekzandvlakte'. Het agrarische cultuurlandschap wordt aangeduid als 'bebouwing' en de stedelijke laag als 'bebouwing: woonwijken 1955 - nu'. De vierde laag, de lust en leisurelaag is niet aangeduid.

Conclusie

Gezien de bovenstaande ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken valt de herontwikkeling van de in het generieke beleid van de provincie.

2.1.3 Gemeentelijk beleid

Structuurplan Zwolle 2020

Het structuurplan dat op 16 juni 2008 door de raad is vastgesteld geeft de gemeentelijke visie op de gewenste sociale, economische en ruimtelijke structuur in 2020 weer. Het Structuurplan verwoordt niet alleen een kwantitatieve opgave, maar heel nadrukkelijk ook een kwalitatieve opgave. De visie wordt uiteengerafeld in programma's voor de verschillende beleidsterreinen. De globale visies op de toekomstige sociale, economische en ruimtelijke structuur zijn uitgewerkt tot de kern van het structuurplan: de plankaart met een beschrijving in hoofdlijnen van de meest gewenste ontwikkelingen voor de komende vijftien jaar. De plankaart geeft zo een integraal beeld van de beoogde functies van stad en ommeland tot 2020.

In het Structuurplan wordt het plangebied aangemerkt als 'woongebied'.

Ten aanzien van Holtenbroek is onder andere het volgende opgenomen:

Op peil houden dan wel verbeteren van de kwaliteit en vitaliteit van bestaande wijken: afronden van de herstructurering Holtenbroek, verder planvorming en uitvoering van de herstructurering Kamperpoort en Diezerpoort, revitalisering van delen Zwolle-Zuid, bij inbreidingslocaties veel aandacht voor woonmilieu en prijscategorie.

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijke structuurplan.

2.2 Archeologisch en cultuurhistorisch beleid

Archeologisch beleid

Het archeologisch beleid is gebaseerd op de Archeologiewet. Gebieden die volgens de archeologische waarderingskaart een vondstkans hebben van 50% of meer krijgen de dubbelbestemming 'Archeologisch waardevol gebied'. In dit geval dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bepaalde ingrepen in de bodem in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Aan een reguliere omgevingsvergunning kunnen in dit verband regels worden verbonden.

Gronden met een vondstkans van 50% of meer zijn niet aanwezig in het plangebied, zodat de dubbelbestemming niet hoeft te worden opgenomen.

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het archeologisch beleid.

2.3 Verkeersbeleid

Mobiliteitsvisie

Het op dit moment vigerende Zwolse mobiliteitsbeleid vloeit voort uit het rijks – en provinciaal beleid en is verwoord in de Mobiliteitsvisie. De Mobiliteitsvisie is door de gemeenteraad vastgesteld op 2 februari 2009.

Uit de Mobiliteitsvisie komt naar voren dat de verdere groei van de mobiliteit niet opgevangen kan worden door de mobiliteitsvraag te faciliteren met nieuwe infrastructuur. Zwolle heeft een gunstige positie qua ontwikkeling. In de na te streven doelen op het gebied van duurzaamheid, milieu, bereikbaarheid, economische groei, leefbaarheid en dergelijke is het daarom noodzakelijk om prioriteiten te stellen. Zwolle wil de kwaliteiten als bereikbare en gezonde stad vasthouden door, naast de noodzakelijke uitbreiding van de infrastructuur, de samenleving te mobiliseren om de groeiende vraag naar mobiliteit om te buigen in een duurzame richting.

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het verkeersbeleid.

2.4 Groenbeleid

Groenbeleidsplan en Structuurplan 2020

Het Groenbeleidsplan, vastgesteld door de gemeenteraad op 30 maart 1998, geeft aan dat de hoofdgroenstructuur stevig genoeg moet zijn om duurzaam in stand te worden gehouden. Het groen zal meerdere functies vervullen, zal natuurwaarden in zich bergen en duidelijk herkenbaar zijn in de stad. Het netwerk van groene dragers in het Structuurplan 2020 is grotendeels afgeleid van het Groenbeleidsplan en aangevuld met nieuw structuurgroen dat voor de periode tot 2020 op het programma staat. Buurtgroen staat niet zelfstandig op de plankaart van het Structuurplan. Wel vormt het een onlosmakelijk onderdeel van de ruimtelijke opzet en inrichting van woon- en werkmilieus.

Bomenverordening

Voor de bomen geldt de in 2005 vastgestelde Bomenverordening. In de bomenverordening zijn criteria, weigeringsgronden en voorschriften opgenomen over het (compenseren van het) kappen van bomen. Het basisprincipe is dat bij kap van bomen herplant plaats vindt; voor iedere gekapte boom een nieuwe boom.

Voor het vellen van een boom met een omtrek groter dan 30 cm, die staat op een perceel van 400 m² en groter, is een (kap)vergunning nodig. Onder vellen valt ook het rooien, het verplanten en het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand als gevolg kunnen hebben. Een ernstige beschadiging kan bijvoorbeeld optreden wanneer de wortels aangetast worden. Daarbij geldt als vuistregel dat de ruimte die bovengronds wordt ingenomen door de kroon, ondergronds wordt ingenomen door het wortelgestel. Daarom is het niet alleen ongewenst dat er gebouwd wordt binnen de projectie van de kroon op de grond, maar ook dat daar bijvoorbeeld verharding wordt aangebracht, wordt afgegraven of opgehoogd. Bomen die, vanwege ouderdom, omvang, soort of andere redenen bijzonder zijn, staan geregistreerd als bijzondere boom. Voor deze bomen geldt dat ze in principe niet gekapt mogen worden, tenzij daarvoor een uitzonderlijke reden is. Voor een kapvergunning is een aparte procedure vereist. Aan de vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden, waaronder aanwijzingen voor herplant.

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het groenbeleid.

2.5 Waterbeleid

Europees en nationaal beleid

Duurzaam schoon oppervlaktewater en bescherming van het drinkwater voor de toekomst. Dat zijn heel in het kort de belangrijkste doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Waterbeheer 21e eeuw (WB21), die voortaan samengaan via het Nationaal Bestuursakkoord Water.

Europese Kaderrichtlijn Water

De KRW moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire gevaarlijke stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand. Dit heet 'een goede kwantitatieve toestand'.

Waterbeheer 21e eeuw

WB21 anticipeert op toekomstige ontwikkelingen zoals klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging. Deze ontwikkelingen stellen strengere eisen aan het waterbeheer. In WB21 wordt uitgegaan van twee principes (tritsen) voor duurzame waterkwantiteit- en duurzaam waterkwaliteitsbeheer:

  • vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren;
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren.

Bij 'vasthouden, bergen en afvoeren' wordt regenwater zoveel als mogelijk bovenstrooms vastgehouden in de bodem en het oppervlaktewater. Wanneer er toch een wateroverschot ontstaat wordt het water eerst tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en dan pas afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het om een voorkeursvolgorde waarbij de voorkeur uitgaat naar het voorkomen van verontreiniging (schoonhouden). Als toch verontreiniging ontstaat, moeten schoon en vuil water zoveel mogelijk worden gescheiden. Ten slotte wordt het verontreinigde water zo goed mogelijk gezuiverd.

Deltawet

Het doel van de Deltawet, aangenomen op 28 juni 2011, is ons land nu en in de toekomst beschermen tegen hoog water en de zoetwatervoorziening op orde houden.

De afgelopen eeuw is de zeespiegel gestegen, de bodem gedaald en het is warmer geworden. Dat zet door, blijkt uit de cijfers van het KNMI. Hevigere weersomstandigheden, zoals meer regen en periodes van droogte, zijn zaken om rekening mee te houden. Het Deltaprogramma is er om ons land voor te bereiden op de toekomst. En om daarbij de juiste maatregelen te nemen voor een veilig en aantrekkelijk Nederland met voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma werken het rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samen met maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en kennisinstituten. Dit gebeurt onder regie van de Deltacommissaris. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu is de coördinerend bewindspersoon voor het Deltaprogramma.

Naast de lopende programma's, zoals Ruimte voor de Rivier, Maaswerken, Zwakke Schakels Kust en Hoogwaterbeschermingsprogramma, staan in het Deltaprogramma vijf deltabeslissingen centraal. Voor 2015 worden die voorgelegd aan het kabinet. Deze beslissingen gaan over:

  • de normen van onze belangrijkste dijken en andere waterkeringen en de strategieën voor onze waterveiligheid;
  • de beschikbaarheid en verdeling van zoetwater;
  • het peil van het IJsselmeer;
  • de manier waarop gebieden veilig kunnen blijven zonder aan economische waarde in te boeten en;
  • hoe bij het bouwen van buurten en wijken rekening kan worden gehouden met water.

Provinciaal beleid
De Provincie Overijssel heeft haar beleid vastgelegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie heeft tevens de status van Regionaal Waterplan onder de nieuwe Waterwet, de status van Provinciaal Waterhuishoudingsplan onder de Wet op de waterhuishouding tot de inwerkingtreding van de Waterwet en de status van Milieubeleidsplan onder de Wet milieubeheer.

Waterschapsbeleid
Het beleid van het waterschap Groot Salland staat beschreven in het Waterbeheerplan 2010-2015, de beleidsnota Leven met Water in Stedelijk Gebied, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de keur van het waterschap Groot Salland een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten liggen ter inzage op het hoofdkantoor van het waterschap Groot Salland. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wgs.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang.

Gemeentelijk beleid
De gemeente Zwolle heeft haar waterbeleid in 2008 vastgelegd in het Stedelijke Waterplan. Hierin zijn de ambities met betrekking tot de beleving en de kwaliteit van water beschreven. De gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van hemelwaterinfiltratie vastgelegd in de gemeentelijke bouwverordening. Verder zijn in het gemeentelijk rioleringsplan ontwerprichtlijnen en beleidskeuzes beschreven waaraan voldaan moet worden.

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het waterbeleid.

2.6 Sportbeleid

Sportnota en Masterplan Sportaccommodaties

In 2006 is de sportnota 2006-2011 vastgesteld. Deze sportnota vormt nog steeds het voornaamste kader voor het Zwolse sportbeleid. Daarnaast is in 2009 het Masterplan Sportaccommodaties vastgesteld, dat het vigerende sportaccommodatiebeleid omvat en de kaders schetst voor de gewenste kwaliteit, kwantiteit en spreiding van de Zwolse sportaccommodaties voor de periode 2010 tot 2020. Op basis van de beide nota's en de actuele situatie omvat het huidige sportbeleid, met als missie 'een leven lang sporten en bewegen', de volgende doelstellingen:

  • Het in stand houden van de sportparticipatie.
  • Sport inzetten als integraal onderdeel van de maatschappij om middels sport andere (maatschappelijke) doelen te verwezenlijken. Sport vormt dan ook een integraal en onlosmakelijk onderdeel van het sociale domein.
  • Bevorderen van de samenwerking tussen verenigingen om de sportinfrastructuur te verstevigen.

Het waarborgen van een goede kwaliteit en kwantiteit aan sportvoorzieningen en -accommodaties is een randvoorwaarde om bovenstaande doelstellingen te bereiken.

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het sportbeleid.

2.7 Milieubeleid

Algemeen beleid

De gemeenteraad heeft in 2005 de milieuvisie 'Milieu op scherp' vastgesteld. De milieuvisie geeft de richting aan van het Zwolse milieubeleid. In de milieuvisie worden ambities en doelstellingen geformuleerd en worden prioriteiten gesteld in de ontwikkeling en uitvoering van het Zwolse milieubeleid.
In de milieuvisie is de strategie geformuleerd die Zwolle wil hanteren om te komen tot een effectief en efficiënt milieubeleid. Er worden parallelle sporen gevolgd.

  • Per sector (geluid, bodem, externe veiligheid, luchtkwaliteit enzovoort) wordt beleid geformuleerd. Op dit moment is voor de sectoren energie, duurzaam bouwen, bodem, grondwater, geluid, afval en externe veiligheid beleid vastgesteld.
  • Zwolle heeft daarnaast gebiedsgericht milieubeleid ontwikkeld. Door middel van een gebiedsgerichte aanpak wordt het sectorale milieubeleid per gebied geïntegreerd. Het principe is dat binnen het grondgebied van Zwolle diverse gebiedstypen worden onderscheiden op basis van ruimtelijke kenmerken en functies. Vervolgens wordt vastgesteld welke milieukwaliteit nagestreefd wordt bij een dergelijk gebiedstype. Uiteindelijk zal dit referentie milieukwaliteitsprofiel de basis vormen voor de uitwerking van het milieubeleid in een specifiek gebied.

Het gebiedsgerichte milieubeleid is voor de aspecten geluid en externe veiligheid vastgesteld.

Rekening houdend met het plan (realisatie van een gebouw waar begeleid wonen in combinatie met een buurtfunctie op de locatie waar nu een pand staat waarin o.a. nu een muziekvereniging oefent), wordt alleen kort ingegaan op de relevante aspecten geluid en externe veiligheid. In hoofdstuk 3 zal vervolgens aan de hand van alle milieuthema's worden aangegeven hoe zich het plan verhoudt tot het deelthema.

Geluid

In de milieuvisie 'Milieu op scherp' wordt de ambitie voor geluid als volgt omschreven.
Zwolle is een dynamische stad met geluidsniveaus die passen binnen de wettelijke grenswaarden. Er zijn alleen geluiden die passen bij de functie van een gebied. Een belangrijke doelstelling is het verminderen van geluidshinder in bestaande woningen en voorkomen van geluidshinder bij renovatie en nieuwbouw. Een belangrijke maatregel om deze doelstelling te bereiken is het toepassen van stillere wegdeksoorten. Een andere maatregel is het meenemen van de geluidsdoelstellingen bij de ruimtelijke planontwikkeling.

In de door de gemeenteraad vastgestelde 'Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle' (juli 2007) en in de beleidsregel 'Hogere waarden Wet geluidhinder' (februari 2007) worden de begrippen ambitieniveau en grenswaarde (dit is de basiskwaliteit, die de gemeente voor een bepaald gebied nastreeft; indien de basiskwaliteit niet wordt bereikt, dan dient akoestische compensatie te worden verkregen) geïntroduceerd. Ambitieniveau en grenswaarde verschillen per gebiedstype. Naast het ambitieniveau en de grenswaarde blijven de voorkeursgrenswaarde en de hoogste toelaatbare waarde uit de Wet geluidhinder gehanteerd.

Het plangebied behoort tot het gebiedstype 'Groen stedelijk'.

Gebiedstype   Ambitieniveau   Voorkeursgrens
Waarde (Wgh)  
Grenswaarde   Hoogst toelaatbare waarde (Wgh)  
Groen stedelijk   43 dB   48 dB   53 dB   63 dB  

Externe veiligheid

De beleidsvisie externe veiligheid is in maart 2007 vastgesteld door de gemeenteraad. In de visie wordt ernaar gestreefd voor haar gehele grondgebied te voldoen aan de basisveiligheid.

Dit betekent dat:

  • Overal voldaan wordt aan de normen voor plaatsgebonden risico.
  • Een gebiedsgerichte invulling wordt gegeven aan groepsrisicobeleid met een gebiedsgericht kader voor externe veiligheid.
  • Veiligheidsdoelstellingen passend bij de typering van het gebied worden ontwikkeld.
  • Zoveel mogelijk geanticipeerd wordt op de landelijke beleidsontwikkeling die een ongunstige invloed kan hebben op de veiligheidssituatie in Zwolle met als doel het bewaken van een optimaal veiligheidsniveau.

In januari 2009 hebben burgemeester en wethouders het gebiedsgerichte beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico.

Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen.

Het plangebied behoort tot het gebiedstype 'Groen stedelijk'. Voor dit gebiedstype geldt een stand still beleid waarbij een overschrijding van de oriëntatiewaarde en een toename van het groepsrisico als gevolg van interne gebiedsontwikkelingen niet is toegestaan. Er is geen plek voor nieuwe risicovolle activiteiten. Een uitzondering wordt gemaakt voor kleine risicovolle activiteiten waarvan de PR 10-6 contour binnen de inrichtingsgrens blijft en die geen noemenswaardige invloed op het groepsrisico hebben.

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het milieubeleid.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied omschreven. Daarnaast wordt een beschrijving gegeven van de uitgangspunten die gehanteerd zijn bij het maken van dit bestemmingsplan.

3.1 Maatschappelijk

3.1.1 Huidige situatie

Op het perceel Händellaan 239/239a is een sportschool en een bedrijfswoning aanwezig. Op het perceel worden jongeren opgevangen in een begeleid woonvorm. Tevens bieden zij de jongeren sport als dagbesteding aan vanuit hun sportschool en exploiteren zij buurthuis Boxing Plaza.

Op het perceel Händellaan 241 staat een verenigingsgebouw dat gebruik werd door een muziekvereniging.

3.1.2 Uitgangspunten bestemmingsplan

Het gebouw aan de Händellaan 241 wordt gesloopt. Op dit perceel wordt de begeleid woonvorm uitgebreid en wordt een activiteitenruimte gerealiseerd. De ruimte zal in hoofdzaak worden gebruikt als activiteitenruimte voor de jongeren. Daarnaast zal het gebruikt worden voor gezamenlijke activiteiten van de jongeren met de bewoners van de buurt.

Door Bro is een onderzoek uitgevoerd om de behoefte aan het project ten behoeve van een activiteitenruimte in combinatie met begeleid wonen te onderbouwen. Voor de uitkomsten van dit onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 1 Ladder voor duurzame verstedelijking Händellaan Zwolle

3.2 Stedenbouw

3.2.1 Huidige situatie

De locatie Händellaan 239/241 ligt in het zuidwestelijk deel van Holtenbroek. Holtenbroek is een grote naoorlogse uitbreidingswijk, ontworpen en gebouwd vanaf 1956. Kenmerkend voor de wijk is de duidelijke ruimtelijke scheiding tussen de verschillende functies wonen, werken, voorzieningen, verkeer en recreatie. Dit is in lijn met de CIAM-gedachte die ten grondslag ligt aan het oorspronkelijke wijkontwerp. Licht, lucht en ruimte waren daarbij belangrijke thema's. Holtenbroek is verdeeld in vier woonkwadranten, gescheiden door een groen assenkruis. In dit assenkruis zijn de wijkvoorzieningen gesitueerd. In het centrum van het Assenkruis bevindt zich het winkelcentrum Holtenbroek aan het Bachplein.

De Handellaan valt in het 1e kwadrant van Holtenbroek, in de strook die grenst aan het groene assenkruis en de onlangs geherstructureerde muziekwijk. De bebouwing in deze strook bestaat uit grote losse bouwvolumes in een groene setting, oplopend van bebouwing in twee lagen met kap tot een flat in ca. 12 bouwlagen aan de rand met de Klooienberglaan. De locatie Händellaan heeft in het geldende bestemmingsplan een globaal bebouwingsvlak met een bouwhoogte van 10 meter en een bebouwingspercentage van 60%. In het plangebied is een gymzaal/sportschool en een houten barak gelegen. De bestemming is sportdoeleinden.

3.2.2 Uitgangspunt bestemmingsplan

In de nieuwe situatie krijgt het plangebied de maatschappelijke bestemming, die gold voor het bestemmingsplan Holtenbroek. Dit is passend bij de voorliggende aanvraag. Stedenbouwkundig blijven de uitgangspunten van het geldende plan van kracht, met dien verstande dat het bouwvlak meer is afgestemd op de beoogde rooilijnen en situering van de bebouwing. Een gedeelte van het bestaande gebouw staat reeds buiten het geldende bouwvlak. Omdat de mogelijke bebouwingsdichtheid daardoor onevenredig zou toenemen is dat gecorrigeerd aan de voor- en achterzijde. De rooilijn aan de zijde die grenst aan de naastgelegen rijwoningen (Smetanastraat) is iets verder uit de erfgrens gelegd, waardoor de overgang in hoogte van de bebouwing minder impact heeft op de woningen en er meer lucht en ruimte ontstaat tussen de bebouwing. De rooilijn langs de Händellaan is in dezelfde richting gelegd als die van naastgelegen woongebouw, waardoor er een rustig bebouwingsbeeld ontstaat met een ruime open (groene) begeleiding van de Händellaan.

Het geldende bestemmingsplan Holtenbroek stemt op onderdelen niet overeen met de daadwerkelijk gerealiseerde situatie ter plaatse; de bestemming Woondoeleinden meergezinshuizen WMG, waarbinnen het naastgelegen woongebouw van Kembang Baru is gerealiseerd, ligt tot halverwege het straatje, wat overigens gemeente eigendom is, evenals de randen rondom het woongebouw. De meest geëigende bestemming daarvoor is de bestemming 'Groen' in plaats van 'Tuin”. Het straatje met parkeren tussen de beide locaties viel binnen zowel de woonbestemming als binnen de sportbestemming en is ook niet in overeenstemming met het oude plan. Dit wordt in dit bestemmingsplan gecorrigeerd. De randen rondom het woongebouw zijn gemeente-eigendom en onderdeel van het openbaar groen en nu worden als zodanig bestemd en het straatje krijgt een verkeersbestemming. De Maatschappelijke bestemming is begrensd conform het gedeelte dat wordt verkocht aan de initiatiefnemer.

3.3 Verkeer

3.3.1 Huidige situatie

Het perceel Händellaan 241 wordt ontsloten via de Händellaan. Het perceel Händellaan 239/239a wordt ontsloten via de Sibelliusstraat. Het kilometerregime is 30 km/u.

3.3.2 Uitgangspunt bestemmingsplan

Structuur

De verkeersstructuur wordt in de nieuwe situatie niet gewijzigd.

Parkeren

Het parkeren moet voldoet aan het algemene parkeerbeleid van de gemeente Zwolle.

Het gaat daarbij om 15 onzelfstandige wooneenheden en een activiteitenruimte van ca 225 m².

Voor de nieuwe ontwikkeling geldt dat voor de onzelfstandige eenheden een parkeernorm van 0,4 parkeerplaatsen per eenheid moet worden gehanteerd en voor een activiteitenruimte voor de buurt geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per 100 m² bvo.

In principe moet de aanvrager het parkeren op eigen terrein oplossen, als dat niet lukt dan kan naar de omgeving gekeken worden.

Op eigen terrein is slechts beperkt ruimte om parkeerplaatsen te maken. Daarbij zou het realiseren van parkeerplaatsen ten koste van de groene inrichting van het terrein en daarbij de ruimtelijke kwaliteit in het gebied aantasten. Bovendien is er geen directe ontsluiting vanaf de weg. Realiseren van een ontsluiting van het terrein zou ten koste gaan van openbare parkeerruimte.

In de huidige situatie is er sprake van een verenigingsgebouw met een buurtfunctie, waarbij sprake is van een bepaalde parkeerbehoefte. Daarbij is de doelgroep van de nieuwe activiteitenruimte, naast in hoofdzaak de bewoners van de onzelfstandige wooneenheden, de bewoners van de wijk, waarbij het aannemelijk is dat zij vooral met de fiets of lopend komen. De extra parkeerbehoefte is daarmee met name de 6 parkeerplaatsen ten behoeve van de onzelfstandige eenheden.

Er is onderzocht of de benodigde parkeerbehoefte in de openbare ruimte op te lossen is. Op meerdere momenten is daarom een inventarisatie gedaan van de beschikbare parkeerruimte. Hieruit blijkt dat er in de directe omgeving gemiddeld tussen de 10 en 20 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Daarmee kan aan de parkeerbehoefte worden voldaan.

3.4 Natuur

3.4.1 Huidige situatie

Op het perceel Händellaan 241 staat een houten gebouw dat zal worden gesloopt. Het ecologisch adviesbureau Ecogroen heeft in opdracht van de gemeente Zwolle een quickscan uitgevoerd om te onderzoeken of het te slopen pand op het perceel Händellaan 241 geschikt is als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Dit omdat deze verblijfplaatsen strikt beschermd zijn onder de Flora- en Faunawet. De aanwezigheid van dergelijke verblijfplaatsen zou op korte termijn het uitvoerbaar maken van het bestemmingsplan kunnen bemoeilijken.

3.4.2 Uitgangspunt bestemmingsplan
3.4.2.1 Natuurbescherming

De plannen hebben geen schade aan Natura 2000- en EHS-gebieden tot gevolg. Een vervolgtraject in de vorm van een nadere toetsing in het kader van de Natuurbeschermingswet en EHS-beleid is dan ook niet noodzakelijk.

3.4.2.2 Flora en fauna

Quickscan – Flora & Fauna

De globale natuurtoets, uitgevoerd door Ecogroen, geeft aan dat het pand niet interessant is voor vleermuizen, huismussen of steenmarters. Het pand heeft ten aanzien van deze soorten geen functionaliteit te bieden. Er is dan ook geen vervolgonderzoek nodig. De enige opmerking die het adviesbureau maakt is dat wanneer het bestemmingsplan in de broedperiode wordt uitgevoerd er rekening gehouden moet worden met de omliggende beplanting. De quikscan is als Bijlage 2 aan de toelichting opgenomen.

3.5 Water

3.5.1 Huidige situatie
3.5.1.1 Waterstructuur

Drooglegging

In plangebied wordt een ontwateringsdiepte van minimaal 0,7 m gehanteerd. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld.

Riolering

In de Händellaan ligt gescheiden rioolstelsel, waarbij de droogweerafvoer wordt afgevoerd richting de AWZI en de hemelwaterafvoer wordt in een separate leiding geïnfiltreerd in de bodem c.q. wordt afgevoerd naar oppervlaktewater.

3.5.1.2 Overstromingsrisico

Quickscan

Het plangebied (zie figuur 1) is gelegen in dijkring 53, Salland. Deze dijkring wordt omsloten door de Vecht aan de noordzijde, de IJssel aan de westzijde en het Zwarte Water aan de noordwestzijde. Omdat het bestemmingsplan ruimte biedt aan de ontwikkeling van niet incidentele over-stromingsgevoelige functies en omdat het plangebied gelegen is in dijkring 53 is een overstromings-risicoparagraaf verplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP15007-0004_0001.jpg"

Figuur 1 Dijkring 53

Risico-inventarisatie

Voor de keringen van dijkring 53 is de overschrijdingkans genormeerd op 1/1.250e per jaar. Op basis van de provinciale risicokaart wordt de maximale waterdiepte, in Zwolle voor dijkring 53 tijdens een overstroming, geschat tussen de 0,8 en 2,0 meter. De mogelijke waterdiepte kan daarmee worden aangeduid als ondiep (figuur 2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP15007-0004_0002.png"

Figuur 2 Maximale waterdiepte tijdens een overstroming

Afhankelijk van de locatie waar een dijk doorbreekt zal water dijkring 53 binnen stromen. In figuur 3 zijn twee maatgevende locaties (Olst en Berkum) weergegeven die uiteindelijk zullen leiden tot een waterstand weergegeven in figuur 2 en de snelheid waarmee het water dijkring 53 instroomt (figuur 3). Afhankelijk van de locatie binnen dijkring 53 kan het wenselijk zijn om maatregelen dan wel voorzieningen te treffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP15007-0004_0003.png"

Figuur 3 Boven: dijkdoorbraak Olst Onder: dijkdoorbraak Berkum (Zwolle)

3.5.2 Uitgangspunt bestemmingsplan

Drooglegging

In plangebied wordt een ontwateringsdiepte van minimaal 0,7 m gehanteerd. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte.

Riolering

Droogweerafvoer

De droogweerafvoer (DWA) vanuit het gebied moet worden afgevoerd naar het bestaande gemeentelijk (gescheiden) rioolstelsel. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de bestaande huisaansluitingen op de riolering in de Händellaan, mits deze leidingen kwalitatief voldoende zijn om het functioneren van de afvoer niet negatief te beïnvloeden. Als deze aansluitingen niet gebruikt kunnen worden dan moeten er nieuwe DWA aansluitingen aangevraagd en aangelegd worden.

De toename van het hoeveelheid afvalwater is gering. Er is geen sprake van overbelasting van het bestaande rioolstelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Hemelweerafvoer

De hemelwaterafvoer (HWA) van daken, terrassen en parkeerplaatsen moet binnen het plangebied worden geborgen en worden geïnfiltreerd in de bodem. Binnen het plangebied dient daartoe minimaal een statische berging gecreëerd te worden van 20 mm per vierkante meter afvoerend oppervlak. Hierdoor wordt het bestaande gemeentelijk (gescheiden) rioolstelsel ontlast.

Wateroverlast

Om wateroverlast en schade in gebouwen te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 20 cm boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders) moet aandacht worden besteed om wateroverlast te voorkomen. Als er aansluitpunten (wc, wastafel, afvoerputje e.d.) beneden het straatpeil aanwezig zijn, dan kan er niet onder vrijverval worden aangesloten. Op het terrein dient dan een zelfstandig rioolstelsel te worden aangelegd met een pompput. Bij de aanleg van kelderconstructies dient aandacht te worden geschonken aan de toepassing van waterdichte materialen en constructies tot aan het maaiveld, inclusief ventilatie / lichtschacht.

3.6 Milieu

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieuaspecten die van belang zijn bij het toekennen van bestemmingen. Tevens komt de ligging van kabels, leidingen en straalpaden aan bod.

3.6.1 Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met de geluidsproductie van wegverkeer, spoorwegen en industrie. Aan deze aspecten wordt in deze paragraaf aandacht besteed. In de Wgh wordt het begrip 'geluidszone' gehanteerd. Met een geluidszone wordt het aandachtsgebied rond (spoor)wegen en industriegebieden afgebakend waarbinnen de regels van de Wgh van kracht zijn. Het akoestisch onderzoek richt zich altijd op woningen en 'andere geluidsgevoelige bestemmingen' die binnen de geluidszone zijn gelegen.

Wegverkeerslawaai

Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de toekomstige geluidsbelasting, indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen toestaat voor gebieden die binnen de verplichte onderzoekszone van wegen liggen. Volgens de Wgh heeft iedere weg een geluidszone behalve de volgende wegen:

- wegen die binnen een woonerf liggen;

- wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km uur geldt.

De planlocatie valt binnen de geluidszone van de Mozartlaan. De overige wegen ,die grenzen aan de planlocatie, zijn als 30 km/uur wegen ingericht.

Uit akoestisch onderzoek van 11 juni 2015 (uitgevoerd door het expertisecentrum van de gemeente Zwolle, kenmerk VL-08-06-2015-v2) blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de Mozartlaan maximaal 36 dB Lden bedraagt. Hiermee wordt ruim voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden en het voorkeursniveau uit het gebiedsmilieubeleid voor het gebiedstype groen stedelijk.

Verder blijkt uit het onderzoek dat de geluidsbelasting ten gevolge van al het verkeerslawaai (cumulatie van alle omliggende wegen) maximaal 49 dB Lden bedraagt (zonder aftrek). Gezien de minimale isolatie van het gebouw van 20 dB kan eenvoudig worden voldaan aan een binnenniveau van 33 dB: een goed binnenklimaat is gewaarborgd.

Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting opgenomen.

Industrielawaai

De planlocatie valt niet binnen de geluidszone van de industrieterreinen Voorst ABC.

3.6.2 Bedrijvigheid (Wet milieubeheer)

De initiatiefnemer Trainingscentrum Overijssel is voornemens het begeleid wonen op het naastgelegen perceel verder uit te breiden. Naast begeleid wonen komt er een activiteitenruimte voor gezamenlijke activiteiten van de jongeren met de bewoners van de buurt.

Om na te gaan of dit plan past in de omgeving met voornamelijk woningen, wordt gebruik gemaakt van de VNG brochure (Bedrijven en milieuzonering (2009). Hierin is opgenomen met welke richtafstanden tussen de omliggende woningen en het plangebied rekening gehouden moet worden.

Vanwege de combinatie van wonen, zorg en (sport)activiteiten is het plan niet direct aan een in de brochure omschreven bedrijfsactiviteit met bijbehorende SBI code te koppelen.

Allereerst is te constateren dat het hier om een kleinschalig plan gaat. Voor het begeleid wonen deel, zijn er geen richtafstanden opgenomen. Wat betreft het zorgaspect vallen de activiteiten het best te vergelijken met de categorie 'dagverblijven' (SBI code 8623). De grootste richtafstand (geluid) is 10 meter ten opzichte van omliggende woningen.

In de plannen is ook een activiteitenruimte opgenomen, die zal worden gebruikt door de bewoners. Omdat er ook de mogelijkheid is voor mensen uit de omgeving om gezamenlijke activiteiten met de jongeren te ondernemen, waarbij ondergeschikte horeca is toegestaan, is dit onderdeel qua milieuzonering het meest te vergelijken met dat van een buurtcafé (SBI code 563). De grootste richtafstand (geluid) is 10 meter.

Het beoogde pand komt om meer dan 10 meter afstand van de omliggende woningen te liggen. Inpassing vormt geen belemmering.

3.6.3 Luchtkwaliteit

In 2007 heeft de gemeente Zwolle ter voorbereiding op de vaststelling van het luchtkwaliteitsplan de luchtkwaliteit berekend ten gevolge van het autoverkeer op de gemeentelijke wegen en de rijksweg A28 in 2010 en 2020. Gebleken is dat in het plangebied in beide jaren geen overschrijdingen en ook geen bijna-overschrijdingen van de normen voor fijn stof (PM10) en NOx voorkomen. Ook uit de jaarrapportage 2012 van het ministerie van I&M voor de luchtkwaliteit in Nederland blijkt dat de concentraties PM10 en NOx in 2011, 2015 en 2020 ver onder de normen blijft. Er is geen overschrijding van de 24 uursconcentraties voor PM10 (minder dan 35 dagen).

Omdat het nieuwe bestemmingsplan slechts een zeer beperkte toename van verkeer zal opleveren, valt het plan binnen de werkingsfeer van de AMvB Niet in betekenende mate, dat wil zeggen: het plan levert geen significante bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

3.6.4 Bodemkwaliteit

Op basis van de bij de gemeente beschikbare informatie zo blijkt uit een intern memo van de gemeente van de afdeling leefomgeving (12 februari 2015) aan de afdeling vastgoed wordt verwacht dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de locatie geschikt is voor het huidige maatschappelijke gebruik (verenigingsgebouw) en een toekomstig gebruik als wonen met tuin.

3.6.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico's. Er wordt gelet op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen in bedrijven alsmede op het transport van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen.

Onderhavig plan is gelegen op een afstand van meer dan 300 meter van de A28 maar binnen het invloedsgebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze transportas(sen). Het plangebied valt niet binnen het invloedsgebied van een andere risicobron.

Dit betekent dat voor dit bestemmingsplan in het kader van externe veiligheid uitsluitend rekening gehouden dient te worden met de effecten van een toxische gaswolk als het gevolg van een calamiteit bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A28/doorgaand spoor/ A28 en doorgaand spoor.

In het kader van het gebiedsgerichte externe veiligheid beleid heeft de gemeente Zwolle in overleg met de veiligheidsregio een standaard verantwoording opgesteld welke in dit bestemmingsplan is gebruikt.

Ontwikkeling groepsrisico:

Het ruimtelijke plan leidt tot een toename van de personendichtheid. Het groepsrisico zal niet significant toenemen, vanwege:

  • 1. de afstand tot de plaats van het mogelijke incident;
  • 2. de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas);
  • 3. de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Zwolle nabij de grote risicobronnen.

De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de:

  • toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft;
  • kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein1 is.

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval:

Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de visie externe veiligheid van de gemeente.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid:

Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij 'optimale' weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquill-klasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen.

Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen waar extra kwetsbare groepen verblijven, die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.

Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) en NL Alert als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten

4.1 Inleiding

Dit bestemmingsplan is gemaakt conform het 'Handboek bestemmingsplannen Zwolle' versie 21. Dit handboek is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De regels zijn binnen de systematiek van de SVBP2012 aangepast aan de Zwolse situatie en uitgebreid met extra standaardbestemmingen, waaraan in Zwolle behoefte is. De regels van Holtenbroek, Händellaan 239-241 zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied van het bestemmingsplan Holtenbroek, Händellaan 239-241.

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 Inleidende regels:

De inleidende regels zijn van algemene aard en bestaan uit de volgende regels:

Artikel 1 Begrippen;

Artikel 2 Wijze van meten.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels:

Toelichting op de regels voor de enkelbestemmingen:

Het gehele plangebied is onderverdeeld in enkelbestemmingen. Dit in tegenstelling tot een bestemming die andere bestemmingen als dubbelbestemming overlapt. De dubbelbestemmingen behoeven niet in het gehele plangebied voor te komen.

Een enkelbestemming kan in het plangebied op één plaats, maar ook op meerdere plaatsen voorkomen. De bij deze bestemmingen behorende regels zijn per bestemming in een apart artikel ondergebracht.

Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden.

De opbouw van een bestemmingsregel is als volgt:

  • 1. Bestemmingsomschrijving;
  • 2. Bouwregels;
  • 3. Nadere eisen;
  • 4. Afwijken van de bouwregels;
  • 5. Specifieke gebruiksregels;
  • 6. Afwijken van de gebruiksregels;

Per bestemmingsonderdeel wordt hierna een korte toelichting wordt gegeven.

  • 1. Bestemmingsomschrijving:

In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie wordt als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid wordt aangegeven door de zin 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie in de bestemming. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat ook inrichtingsaspecten.

  • 2. Bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld.

Bij woningen wordt een onderscheid gemaakt tussen 'hoofdgebouwen', 'bijbehorende bouwwerken' en 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zonder dak'. Een 'bijbehorend bouwwerk' is een 'uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op het zelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak'. Deze definitie is gelijk aan de definitie in het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Voor de andere functies geldt dat er meestal geen sprake is van 'bijbehorende bouwwerken'. Bij deze functies wordt dan alleen gebruik gemaakt van de begrippen 'gebouwen' en 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde'.

De maatvoering waaraan een (hoofd)gebouw, bijbehorend bouwwerk c.q. bouwwerk, geen gebouw zijnde, dient te voldoen wordt in deze regel opgenomen. De maximum goothoogte en maximum bouwhoogte worden in meters weergegeven, de dakhelling in graden.

De hoogte van de gebouwen wordt op de kaart aangegeven, indien er geen uniforme hoogteregels voor de gehele bestemming van toepassing zijn. Dit wordt in de verbeelding op papier van het plan gedaan door middel van een symbool in de vorm van een rondje verdeeld in een matrix met 2 of 3 vlakken. Linksboven staat bijvoorbeeld de maximum goothoogte in meters vermeld, rechtsboven de maximum bouwhoogte in meters en onderaan staat zo nodig het maximum bebouwingspercentage aangegeven. Het symbool is gekoppeld aan het bouwvlak, of indien er geen bouwvlak aanwezig is, aan het bestemmingsvlak.

  • 3. Nadere eisen:

Op grond van artikel 3.6, eerste lid onder d, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat door burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen worden gesteld. Het betreft hier nadere eisen ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals stedenbouwkundig beeld, woonsituatie, en verkeersveiligheid. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning sturend op te treden door het stellen van nadere eisen. De criteria zijn in de bepaling van nadere eisen zelf opgenomen.

De procedure voor het stellen van nadere eisen is in deze bestemmingsregels omschreven in Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 11 Algemene procedureregels.

  • 4. Afwijken van de bouwregels:

Op grond van artikel 3.6, eerste lid onder c, van de Wro kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat bij een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. In deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de bouwregels waarvan kan worden afgeweken. Een afwijkingsmogelijkheid van de bouwregels wordt alleen opgenomen, indien dit noodzakelijk wordt geacht in verband met het gewenste beleid en het een afwijking of verduidelijking betreft van de algemene afwijkingsregels. De criteria zijn in de afwijkingsregel zelf opgenomen.

De procedure voor het afwijken van de bouwregels is omschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

  • 5. Specifieke gebruiksregels:

In artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo wordt aangegeven dat het verboden is zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Ter verduidelijking worden in een aantal bestemmingen in de specifieke gebruiksregels specifieke vormen van gebruik met name uitgesloten. Dit zijn gebruiksvormen, waarvan het op voorhand gewenst is aan te geven dat deze in ieder geval niet zijn toegestaan.

  • 6. Afwijken van de gebruiksregels:

Bij specifieke gebruiksregels wordt in een aantal bestemmingen een daarop gerichte afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Bij zo'n specifieke afwijkingsbevoegdheid zijn ook hier de criteria opgenomen. Ook deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 3.6, eerste lid onder c, van de Wro

De procedure voor het afwijken van de gebruiksregels is omschreven in de Wabo.

Hoofdstuk 3 Algemene regels:

In de algemene regels zijn de volgende regels in onderstaande volgorde opgenomen:

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel;

Artikel 8 Algemene bouwregels;

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels;

Artikel 11 Algemene procedureregels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels:

In dit laatste hoofdstuk komen de overgangsregels en de slotbepaling aan de orde.

4.2 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Hierin worden de in de regels gebruikte begrippen gedefinieerd. Ze zijn alfabetisch gerangschikt met uitzondering van de begrippen plan en bestemmingplan die als eerste zijn genoemd.

Het doel van deze regels is om misverstanden of verschillen in interpretatie te voorkomen. Dit als aanvulling op de gevallen waarbij het woordenboek van Van Dale geen uitsluitsel geeft.

Artikel 2 Wijze van meten

Dit is de handleiding voor de manier van meten van diverse in het plan bepaalde maten.

4.3 Bestemmingsregels

Hierna wordt - voor zover nog nodig - een toelichting op een aantal artikelen van de bestemmingsregels gegeven:

Artikel 4 Maatschappelijk- 1

Deze bestemming is opgenomen voor het perceel Händellaan 239/239a. Binnen deze bestemming zijn o.a het begeleid wonen voor maximaal drie jongeren, de sportschool, sport als dagbesteding, ambulante ondersteuning aan en/of dagbesteding voor jongeren en jongvolwassenen en het buurthuis Boxing Plaza mogelijk. Tevens is de bestaande bedrijfswoning ingepast.

Artikel 5 Maatschappelijk- 2

Deze bestemming is opgenomen voor het perceel Händellaan 241. Binnen deze bestemming is het begeleid wonen van maximaal 15 jongeren en de activiteitenruimte mogelijk.

Artikel 6 Verkeer - Erftoegangsweg

Binnen deze bestemming zijn de openbare parkeerplaatsen en de toegangsweg mogelijk.

4.4 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een perceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 8 Algemene bouwregels

In dit artikel wordt geregeld dat een bouwplan moet voorzien in voldoende ruimte voor parkeren, laden en lossen. Wat voldoende is, wordt op basis van het algemene parkeerbeleid van de gemeente Zwolle bepaald tijdens de beoordeling van een bouwplan.
Bij een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken, indien anderszins in voldoende ruimte kan worden voorzien. Ten slotte kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, onder andere op basis van criteria van het algemene parkeerbeleid.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

In dit artikel wordt geregeld dat bij de wijziging van het gebruik moet worden voorzien in voldoende ruimte voor parkeren, laden en lossen.
Wat voldoende is, wordt op basis van het algemene parkeerbeleid van de gemeente Zwolle bepaald tijdens de beoordeling van een verzoek om wijziging van gebruik.
Bij een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken, indien anderszins in voldoende ruimte kan worden voorzien. Ten slotte kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, onder andere op basis van criteria van het algemene parkeerbeleid.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

In deze regels is als eerste de op grond van vaste jurisprudentie vereiste algemene afwijking in de vorm van de zogenaamde 'toverformule' opgenomen. Bij een omgevingsvergunning moet van het gebruiksverbod worden afgeweken, indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Daarnaast wordt in deze regels de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Deze regels zijn niet van toepassing, indien en voor zover er specifieke in de bestemming zelf geregelde afwijkingsregels van toepassing zijn.

Ten slotte zijn de criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels hier opgenomen.

.

Artikel 11 Algemene procedureregels

Hierin wordt de standaardprocedure bij Zwolse bestemmingsplannen voor de voorbereiding van een besluit tot het stellen van een nadere eis beschreven.

4.5 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Bro is voorgeschreven.

Tevens is een hardheidsclausule opgenomen in de vorm van persoonsgebonden overgangsrecht op de wijze zoals door de regering bij de totstandkoming van het Bro werd aanbevolen.

Artikel 13 Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze regel bevat zowel de aanhalingstitel van het plan, de aanhalingstitel van de regels van het plan als de vaststellingsregel van het plan.

4.6 Handboek

Dit bestemmingsplan is vervaardigd conform de richtlijnen van het 'Handboek bestemmingsplannen Zwolle' versie 21.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Inleiding

Indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, (hierna “een aangewezen bouwplan”), in combinatie met een bestemmingsplan, wijzigingsplan, projectuitvoeringsbesluit of omgevingsvergunning in de zin artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Grondexploitatiewet) van toepassing. Dit houdt in dat de gemeenteraad een exploitatieplan dient vast te stellen tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst de kosten in de grondexploitatie anderszins verzekerd zijn en, indien noodzakelijk, er afspraken zijn gemaakt over een tijdvak, fasering en locatie-eisen.

Dekking

In onderhavige bestemmingsplan is voorzien in de bouw van een hoofdgebouw met daarbij een woonfunctie. Dit is een aangewezen bouwplan, nl de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. De bouwmogelijkheid is gesitueerd op een perceel welke in eigendom was bij de gemeente. De Gemeente Zwolle heeft een koopovereenkomst gesloten waarmee het perceel grond verkocht wordt. Het kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 Wro door opname in de grondprijs. Er is dus geen noodzaak om een exploitatieplan vast te stellen.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande wordt onderhavige bestemmingsplan geacht economisch uitvoerbaar te zijn.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Uitkomsten overleg buurt

De initiatiefnemers hebben hun plannen op 18 november 2015 in het wijkcentrum Holtenbroek met de buurt besproken. Tijdens de informatie avond bleek dat er veel vragen waren die op dat moment onvoldoende konden worden beantwoord. Er is toen afgesproken dat er een nieuwe bijeenkomst zou worden georganiseerd. Deze bijeenkomst is op 9 december 2015 gehouden. Naast de initiatiefnemers van het bouwplan, waren ook een GGD arts die bij de behandeling van de jongeren betrokken is en medewerkers van de gemeente aanwezig .Tevens was vooraf aan de omwonenden ter informatie een overzicht toegestuurd met de meest gestelde vragen tijdens de bijeenkomst van 18 november 2015 en de antwoorden op deze vragen. Tijdens de bijeenkomst hadden de omwonenden met name vragen over de toekomstige bewoners van de wooneenheden en de gevolgen hiervan voor de omgeving. Ook werden er vragen gesteld over de activiteitenruimte, het gebruik van de huiskamer door de buurt en de openingstijden hiervan. Ook spraken omwonenden hun bezorgdheid uit over de aanwezigheid van het balkon en de gevolgen hiervan voor hun privacy. Tenslotte is de bestemmingsplanprocedure toegelicht.

5.2.2 Uitkomsten overleg

Provinciaal overleg

Samenvatting reactie

Het plan draagt bij aan het provinciaal ruimtelijk beleid. Indien het plan ongewijzigd in procedure wordt gebracht, wordt er vanuit het provinciale belang geen beletselen voor het verdere vervolg van deze procedure gezien. 

Reactie gemeente

Hier wordt kennis van genomen.

Waterschap

Samenvatting reactie

Het voorontwerp geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen op het bestemmingsplan.

Reactie gemeente

Hier wordt kennis van genomen.

Brandweer IJsselland

Samenvatting reactie

Er wordt geadviseerd;

  • om het nieuwe pand te laten voorzien van afsluitbare ventilatie zoals benoemd in het plan;
  • de toekomstige gebruikers (waaronder de begeleiders) en/of bewoners voor te (laten) lichten over de risico's die zij lopen en wat zij bij een incident zelf kunnen doen (o.a. juist gebruik van de ventilatie);
  • de initiatiefnemer contact op te laten nemen met GHOR IJsselland wanneer het gaat om een zorginstelling voor 24 uurs zorg met meer dan 20 personen.
  • in het bestemmingsplan, naast het WAS, ook NL Alert als waarschuwingsmogelijkheid voor bewoners en gebruikers te benoemen.

Reactie gemeente

De eerste drie genoemde punten zullen aan de initiatiefnemer van het plan worden meegeven. Het laatste punt over NL Alert zal worden benoemd in het bestemminsplan