direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Hospice Wipstrikkerallee
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0193.BP13013-0002

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

Door dit bestemmingsplan wordt de realisatie van maatschappelijke voorzieningen, waaronder een hospice, voor het gebied aan de Wipstrikkerallee (tussen nrs. 209/211 en 213) mogelijk gemaakt. Daarnaast worden naast de maatschappelijke functie ook (kleinschalige) bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt.

Een hospice is een palliatieve woonvoorziening waar mensen in de terminale fase van hun leven in een huiselijke sfeer de mogelijkheid wordt geboden om verzorgd en begeleid de laatste levensfase door te brengen.

1.2 Doel

Dit bestemmingsplan is opgesteld om de uitvoering van de ontwikkeling van de hospice planologisch mogelijk te maken. Dit plan geldt na inwerkingtreding als nieuw toetsingskader en treedt voor het betreffende plangebied in de plaats van het op dit moment geldende bestemmingsplan.

1.3 Plangebied

Het plangebied wordt globaal begrensd door de Wipstrikkerallee (zuidwestzijde), de Wipstrikkerallee 209 en 211 (noordwestzijde), de Ceintuurbaan (noordoostzijde) en de Wipstrikkerallee 213 (zuidoostzijde).

Het betreft de kadastrale percelen ZLE00, sectie B, nr.06082, perceel ZLE00, sectie B, nr.07605 (gedeeltelijk) en perceel ZLE00, sectie B, nr.07450 (gedeeltelijk).

Op de afbeelding hieronder is een indicatie van de ligging van het plangebied aangegeven. De exacte begrenzing van het plangebied is te bekijken op de plankaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0001.png"
afbeelding: indicatie ligging plangebied

1.4 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied valt in het bestemmingsplan 'Ceintuurbaanzone'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 27 mei 2013 onder besluitnummer EC1304-0010. Op 22 augustus 2013 is het bestemmingsplan in werking getreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0002.jpg"

afbeelding: uitsnede plankaart bestemmingsplan Ceintuurbaanzone

Het gebied heeft in het bestemmingsplan Ceintuurbaanzone de bestemmingen 'Agrarisch', 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Wonen', 'Tuin', 'Groen' en 'Verkeer - Erftoegangsweg'. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Leiding - Riool' op het gebied van toepassing. Bij het toekennen van deze bestemmingen zijn de destijds geldende rechten conserverend overgenomen. In de toelichting van het bestemmingsplan Ceintuurbaanzone (paragraaf 5.4.4) was reeds vermeld dat voor de ontwikkeling van het betreffende gebied aan de Wipstrikkerallee een aparte planologische procedure gevolgd zou worden.

Hoofdstuk 2 Beschrijving bestaande situatie

2.1 Bestaande situatie

In deze paragraaf wordt achtereenvolgens de bestaande situatie beschreven met betrekking tot de archeologische, de ruimtelijke en de functionele structuur.

2.1.1 Archeologische structuur

In dit bestemmingsplan liggen gebieden met een archeologische verwachtingswaarde van en 0% en 50%. De gebieden met een waarde van 0% zijn al archeologisch onderzocht en dus vrijgegeven. Het gaat om een strook grond parallel aan de Ceintuurbaan.

Het overgrote resterende deel van het plangebied heeft een archeologische verwachtingswaarde van 50%. Voor dit gebied geldt dat een Inventariserend Veldonderzoek middels proefsleuven noodzakelijk is. Dit onderzoek zal vooral gericht zijn op de mogelijk voor aanwezigheid van prehistorische en middeleeuwse bewoning. Daarnaast kunnen ook sporen uit een minder ver verleden worden vastgelegd en gedocumenteerd. Voorbeelden zijn sporen van de wielerbaan of andere aan de uitspanning gerelateerde gebouwen of objecten. Hierna volgt een archeologische beschrijving van het 50% gebied.

221
locatie: gebied ten westen van Urbana
waardering: 50%

Dit gebied ligt op een dekzandrug en maakt later deel uit van de Oosterenk. De naam Oosterenk verwijst naar een enk of es. Essen zijn hoger gelegen akkers die gekenmerkt worden door een plaggendek van minimaal 50 cm. Op deze essen liggen vaak belangrijke archeologische sporen. Het plaggendek zorgde voor een natuurlijke bescherming van de sporen. Daarnaast zijn de assen vaak aangelegd op of aan de rand van natuurlijke dekzandruggen. Dit zijn de locaties die in de prehistorie en middeleeuwen werden uitgekozen om te gaan wonen.

In het begin van de 19de eeuw is op het uiteinde van de dekzandrug door notaris J. van der Gronden een villa gebouwd. Deze villa Urbana is vanaf 1924 gebruikt als theehuis en uitspanning. Ten westen van de uitspanning is op 24 maart 1934 een wielerbaan geopend. Op deze wielerbaan zijn veel belangrijke wedstrijden gereden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is de grenenhouten baan weer afgebroken en als brandstof gebruikt.

2.1.2 Cultuurhistorische structuur

Er heeft een cultuurhistorische analyse plaatsgevonden voor de gehele 'Ceintuurbaanzone'. ('Cultuurhistorische quickscan, bestemmingsplangebied Ceintuurbaanzone', februari 2012).

Op de waardenkaart bij deze analyse is aangegeven dat de panden in het plangebied niet zijn aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. De groenvoorziening met waterpartij in het plangebied, op de hoek van de Wipstrikkerallee en de Herenweg, wordt aangemerkt als 'karakteristieke groenstructuur' en 'historisch water'. Hierna volgt een beschrijving van de cultuurhistorische waarden in dit deel van het plangebied.

Aan het zuidelijke uiteinde van de Wipstrikkerallee bevindt zich, aan de noordoostzijde van de weg, een locatie met restanten van oude tuinaanleg. Nabij Wipstrikkerallee 209 (entree zijde Herenweg) bevindt zich een parkachtige tuin met hoog opgaand groen (veel eik en beuk) en vijvers, waarschijnlijk restanten van een 19de-eeuwse aanleg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0003.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0004.png"

afbeeldingen: groenvoorziening met kleinschalige waterpartij nabij Wipstrikkerallee 109

Elf bomen in de westrand van het groen zijn monumentaal. De voorname Wipstrikkerallee was al in de 18de eeuw een representatieve, met bomen beplante laan, die destijds als uitvalsweg fungeerde richting Almelo en Deventer. De weg was genoemd naar de uitspanning en tolplaats Wipstrik, die bij de aansluiting van de Kuyerhuislaan op de allee stond. Overigens is de naam Wipstrik een synoniem voor 'galg', waarmee verwezen werd naar de oude terechtstellingsplaatsen ten noordoosten van de stad Zwolle.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0005.jpg"

afbeelding: ansichtkaart uit circa 1925-1930 met daarop de Wipstrikkerallee, rechts in beeld Villa Urbana, de vroegere kleine buitenplaats van notaris J. van der Gronden (ansichtkaart collectie HCO 1214PBK)

2.1.3 Ruimtelijke structuur

In deze paragraaf wordt de bestaande ruimtelijke structuur van het plangebied omschreven op het gebied van het verkeer, het groen, het water en de bebouwing.

2.1.3.1 Verkeersstructuur

Om de gewenste afstemming tussen vormgeving en functie van de weg te kunnen bereiken, is het Zwolse wegennet gecategoriseerd naar een aantal te onderscheiden verkeersfuncties.

Het plangebied wordt ontsloten aan de zijde van de Wipstrikkerallee. Het betreffende deel van de Wipstrikkerallee (tussen de Leo Majorlaan en de Ceintuurbaan) is in de Mobiliteitsvisie aangewezen als erftoegangsweg. Op erftoegangswegen staat het verblijfskarakter centraal en geldt een maximum snelheid van 30 km/uur.

Vanaf de Wipstrikkerallee kan via de Ceintuurbaan de Rijksweg A28 bereikt worden. De Ceintuurbaan is aangewezen als gebiedsontsluitingsweg type A met een maximumsnelheid van 70 km/uur. De Ceintuurbaan heeft als functie de stadsdelen te ontsluiten en vormt een regionale verbinding voor verkeer van en naar de richting van Raalte.

2.1.3.2 Groenstructuur

Het plangebied behoort deels tot de stedelijke hoofdgroenstructuur en grenst aan het wijkgroen van de wijk Wipstrik, waarin het plangebied is gelegen.

Stedelijke Hoofdgroenstructuur

In de stedelijke hoofdgroenstructuur moet zorg worden besteed aan behoud en versterking van het beeldbepalende groen en wordt terughoudendheid betracht met verharding en bebouwing, en met het kappen van bomen.

De delen die tot de stedelijke hoofdgroenstructuur behoren zijn de laanbeplanting, de bermen en eventuele bermsloten van de Wipstrikkerallee, het direct aangrenzende openbaar groen in de vorm van een bosje waarin een vijverpartij en enkele zware bomen, de aangrenzende grote particuliere tuinen, en de wegbeplanting en de bermen, de eventuele bermsloten en geluidswallen van de Ceintuurbaan als onderdeel van de hoofdwegenstructuur.

Bij laanstructuren is het continue karakter van bomenrijen en groene bermen, zowel de middenberm als de zijbermen van belang.

De Wipstrikkerallee met de voortzetting in de Kuyerhuislaan is tevens een belangrijke recreatieve route.

Wijkgroen

De Herenweg buiten het plangebied behoort tot het Wijkgroen. In het plangebied komt geen Wijkgroen voor.

Bijzondere bomen

De bomen langs de Wipstrikkerallee en het laatste deel van de Herenweg zijn bijzondere bomen. Ook in het bosje rond de waterpartij staan enkele bijzondere bomen. Het te ontwikkelen terreingedeelte ligt deels onder de kroonprojectie van de omringende bomen. Dit terrein heeft geen verharde inrit vanaf de zijde van de Wipstrikkerallee.

2.1.3.3 Waterstructuur

Het maaiveld van het terrein ligt lager dan de naastgelegen bebouwde kavels. Aan de oostzijde van het terrein ligt een geluidwal met scherm en een afwateringssloot. Op het terrein ligt aan de zijde van de Wipstrikkerallee en aan de zijde van Urbana zligt een dichtgeslibde afwateringssloot.

2.1.3.4 Bebouwingsstructuur

De locatie aan de Wipstrikkerallee bestaat uit braakliggend terrein, agrarische tuinbouw en een groenvoorziening met bomen en een kleine waterpartij.

Omliggende bebouwing vormen de vrijstaande woning aan de Wipstrikkerallee 109, de vrijstaande woning met kassen aan de Wipstrikkerallee 111 en restaurant Urbana aan de Wipstrikkerallee 113.

Aan de overzijde van de Wipstrikkerallee zijn woningen gelegen aan Wipstrikpark. De Ceintuurbaan is afgescheiden van de locatie door een circa 4 meter hoge begroeide geluidswal. Aan de overzijde van de Ceintuurbaan is de kantoorbebouwing van het werkgelegenheidsgebied Oosterenk-Watersteeg gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0006.jpg"

afbeelding: foto in vogelvlucht, plangebied en omgeving

Wipstrik

De wijk Wipstrik wordt gekenmerkt door belangrijke kwaliteiten op het gebied van stedenbouw, architectuur en volkshuisvesting. De in het gebied reeds in de 19e eeuw aanwezige kwaliteiten - zoals de groene Wipstrikkerallee - en de zorgvuldig ontworpen uitbreidingen vanaf de jaren '20 bepalen de huidige ruimtelijke kwaliteit.

In stedenbouwkundige zin zijn de deelgebieden van Wipstrik onderling verschillend. Het plangebied maakt deel uit van Wipstrik-zuid. De Herenweg en de Wipstrikkerallee vertonen veel vrijstaande bebouwing omgeven door groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0007.jpg"

afbeelding: foto in vogelvlucht Wipstrikkerallee, Herenweg en omgeving

In grote delen van de wijk Wipstrik is de beplanting zorgvuldig mee ontworpen. Langs straten en in de vorm van pleinen of stroken komt openbaar groen voor. De Wipstrikkerallee, de Philosofenallee, de Vondelkade zijn bestaande groene zones. Naast het openbaar groen wordt het straatbeeld bepaald door het privégroen in voortuinen.

De wijk levert door de stedenbouwkundige opzet een grote mate van variatie. Ondanks dat het stratenpatroon grotendeels rechthoekig is, is door de variatie in bouwtypen (bouwblokken versus villabebouwing), een hiërarchie van straten in maatvoering en in gebruik voor verkeersafwikkeling, de beplanting en de rijkdom aan architectuurvormen dit gevarieerde beeld ontstaan.

2.1.4 Functionele structuur

In deze paragraaf wordt de bestaande functionele structuur van het plangebied omschreven op het gebied van het wonen, de centrumvoorzieningen, de sport- en recreatieve voorzieningen, de overige maatschappelijke voorzieningen en de economische voorzieningen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

3.2 Ruimtelijk beleid

3.2.1 Rijksbeleid

De visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland staat beschreven in de Nota Ruimte. In deze nota is het ruimtelijk beleid tot 2020 vastgelegd met een doorkijk tot 2030. De nota heeft een strategisch karakter en richt zich op de hoofdlijnen van het beleid.

Het hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid kan worden samengevat als: ruimte scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies. Gelet op de beperkte ruimte in Nederland dient dit efficiënt en duurzaam te geschieden. Het kabinet heeft gekozen voor een dynamisch en op ontwikkeling gericht ruimtelijk beleid, met als uitgangspunt 'decentraal waar dat kan, centraal waar dit moet'.

De Nota Ruimte bevat geen beleid dat rechtstreeks doorwerkt naar ontwikkelingen binnen het plangebied.

3.2.2 Provinciaal beleid

De provincie Overijssel heeft op 1 juli 2009 de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening vastgesteld. Hierin is het ruimtelijk beleid van de provincie vastgelegd. In het beleid van de provincie staan de zorg voor ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid centraal. Deze elementen zijn derhalve binnen de hele omgevingsvisie terug te vinden. De sturingsfilosofie van de provincie is als volgt samen te vatten: als sprake is van een bepaalde ontwikkeling, dan moet eerst worden nagegaan, aan de hand van de generieke beleiduitgangspunten die in de omgevingsvisie zijn opgenomen, of er behoefte is aan de ontwikkeling. Indien dat zo is, moet worden nagegaan of de gekozen plek geschikt is voor het aldaar doorvoeren van de ontwikkeling. Om antwoord te kunnen geven op die laatste vraag dient de ontwikkelingsperspectievenkaart bekeken te worden. Wanneer uit die kaart blijkt dat een ontwikkeling, zoals gepland, niet in strijd is met deze kaart, kan verder worden bezien hoe de ontwikkeling vormgegeven moet worden. Hierbij heeft de provincie gekozen voor een vierlagenbenadering, in welke benadering vier kaarten/lagen worden onderscheiden. Dit zijn de natuurlijke laag, de laag van het agrarische cultuurlandschap, de stedelijke laag en de lust- en leisurelaag. Samen met de catalogus gebiedskenmerken kan worden geconstrueerd welke kenmerken per laag van belang zijn om rekening mee te houden bij de planvorming.

Ontwikkelingsperspectief

Uit de kaart Ontwikkelingsperspectieven blijkt dat de locatie in het gebied ligt dat is aangemerkt voor 'veelzijdige leefmilieus, breed spectrum woon-, werk- en mixmilieus' met de subcategorie 'woonwijk' en de beleidsaanduiding 'beekdal'. In de gebieden aangemerkt als 'woonwijk' is ruimte voor herstructurering, inbreiding en transformatie naar diverse woon- werk- en gemengde stadsmilieus.

Gebiedskenmerken

Op de Gebiedskenmerken kaarten blijkt dat de natuurlijke laag van het plangebied aangemerkt dient te worden als 'dekzandvlakte'. Het agrarische cultuurlandschap wordt aangeduid als 'bebouwing' en de stedelijke laag als 'bebouwing: woonwijken 1955 - nu'. De vierde laag, de lust en leisurelaag is niet aangeduid.

Gezien de bovenstaande ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken valt het realiseren van een hospice op de locatie aan de Wipstrikkerallee in het generieke beleid van de provincie.

3.2.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie

De gemeenteraad van Zwolle heeft op 16 juni 2008 ingestemd met het Structuurplan Zwolle 2020. Met het Structuurplan Zwolle 2020 geeft de gemeente richting aan de noodzakelijke groei van woningbouw en bedrijvenlocaties. Daarmee wordt de positie van Zwolle als regionale centrumstad versterkt en komen er kaders waarbinnen de stad zich de komende jaren kan ontwikkelen. Toekomstvisie en draagvlak moeten zorgen voor een evenwichtige groei van Zwolle met behoud van groen, leefbaarheid, bereikbaarheid en duurzaamheid.

In het structuurplan wordt het plangebied aangemerkt als 'woongebied' met een stedelijk karakter. De diversiteit binnen dit gebiedstype is groot. In dit gebied wordt gewoond en gewerkt. Tussen de woningen tref je bedrijven aan van maximaal milieucategorie 3a. De naoorlogse wijken bestaan vooral uit gestapelde woningen afgewisseld met grondgebonden woningen en er is veel openbaar groen.

De groenvoorzieningen langs de Wipstrikkerallee en de Ceintuurbaan zijn aangemerkt als structuurgroen.

Welstandsnota

Algemeen

De welstandsnota is op 11 maart 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van de Welstandsnota is het bieden van een toetsingskader voor de ruimtelijke kwaliteit van de stad. De nota kent twee belangrijke gebruikers. Voor de overheid biedt de nota een toetsingskader voor ingediende bouwinitiatieven. Voor de burger biedt de welstandsnota vooraf het kader en de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van nieuwe bouwinitiatieven.

De welstandstoets wordt uitgevoerd op basis van relatieve criteria. Eigen aan het gebruik van 'relatieve' criteria is dat zij niet uitkomen op één resultaat, maar dat zij meerdere uitkomsten mogelijk maken.

Relatieve criteria vragen dus om nadere oordeelsvorming, bijvoorbeeld de bepaling dat kleurgebruik van een bijgebouw hetzelfde karakter moet hebben als dat van het hoofdgebouw. Om een goede kwaliteit van de ontwerpresultaten te bevorderen, kunnen er aanvullende richtlijnen worden geformuleerd.

Het bestemmingsplan is altijd kaderstellend voor de welstandstoetsing. Wat in het bestemmingsplan is toegelaten of is voorgeschreven aan bouwhoogte, bouwvolume, functie enzovoorts, kan door het welstandsbeleid niet worden ingeperkt. Soms gaan bestemmingsplannen verder en worden ook regels gegeven voor bijvoorbeeld plaatsing in de rooilijn of voor kappen en dakkapellen. Dan is er sprake van enige overlap met welstand.

Door het relatieve karakter van de welstandscriteria ontstaat er geen strijdigheid met eventuele bestemmingsplaneisen. Bij de herziening van bestemmingsplannen, zoals dit plan voor de Ceintuurbaanzone, is de aansluiting met de welstandsnota een belangrijk aandachtspunt..

Gebiedsgericht welstandsbeleid

Voor de buurt Wipstrik is in de Welstandsnota beschrijving nummer 3 'Oudere uitbreidingswijken' van toepassing. Hieronder zijn van de beleidskeuzes die hier in het kader van welstand gemaakt zijn samengevat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0008.png"

Beleidskeuzes

waardering

De planmatige opzet van de oudere uitbreidingswijken heeft geresulteerd in bijzonder gewaardeerde woongebieden. De grote diversiteit aan woningentypologieën, openbare ruimte en de samenhangende groenstructuur vormen hiervoor de basis.

dynamiek

Woningen worden door middel van kleinschalige uitbreidingen aangepast aan de veranderende woonwensen. Door de sterke samenhang in de wijk en de planmatige opzet is de noodzaak voor veranderingen in de wijken gering.

beleid

  • Het niveau van de welstandstoetsing is regulier.
  • Behouden van de samenhangende ruimtelijke structuur van de wijken en de karakteristieken van de bebouwing.
  • Behouden van de samenhangende straatprofielen met verspringende rooilijnen en geïntegreerde overgangen van privé en openbaar (voor- en achtertuinen).
  • Behouden van de architectonische kenmerken van de vooroorlogse woningbouw: de ambachtelijke detaillering, het eenduidig materiaal- en kleurgebruik, de diverse kapvormen met overstek en de bijzondere accenten aan de gevel.
  • Respecteren van de verfijnde compositie van massa en dakvorm en aandacht voor architectonische accenten aan de gevel bij veranderingen aan naoorlogse woningen.
  • Behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit en het monumentale karakter van de historische lijnen (Diezerenk, Holtenbroekerweg).

Overige voor welstand relevante beleidsstukken:

  • bestemmingsplan;
  • reclamebeleid.

Welstandscriteria

plaatsing

  • De perceellering, de positie en de oriëntatie van de bebouwing in de directe omgeving zijn richtinggevend.
  • Bestaande rooilijnen zijn richtinggevend.

massa en vorm

  • De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing.
  • Bij verandering van kapvorm de samenhang binnen de complexen bewaren.
  • In het bouwwerk bestaat samenhang tussen de samenstellende delen van dat bouwwerk.
  • Massa en vorm reageren op de belendende bebouwing.
  • De bestaande kapvorm en kaprichting zijn richtinggevend. Het toevoegen van een extra laag of een kap respecteert het straatbeeld en de architectuur van de hoofdmassa.
  • Bij- en aanbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa.

gevels

  • Bij verbouw en renovatie is respect voor de oorspronkelijke gevelopbouw en is het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik het uitgangspunt.
  • Bij nieuwbouw vormt de bebouwing in de omgeving voor wat betreft stijlkenmerken, materialisering en kleurgebruik het uitgangspunt.
  • De maat en schaal van de gevelindeling wordt gerespecteerd.
  • Er is eenheid in de architectuur van de gehele gevel.
  • Bij verbouw en renovatie wordt zorgvuldig omgegaan met karakteristieken zoals hoekoplossingen, entreepartijen en erkers.

detaillering, kleur en materiaal

  • De detaillering bij aanpassing, verbouw of renovatie krijgt eenzelfde mate van aandacht als die bij de bestaande architectuur.
  • Bij aanpassing, verbouw of renovatie is het oorspronkelijke kleurgebruik uitgangspunt.
  • Bij nieuwbouw is het oorspronkelijke kleurgebruik in de omgeving uitgangspunt.
  • Bij verbouw of renovatie is het oorspronkelijk materiaalgebruik uitgangspunt.

erfafscheidingen

  • Bij erfafscheidingen aan de openbare weg de eenheid in bestaande oplossingen respecteren.

3.3 Archeologisch en cultuurhistorisch beleid

Het archeologisch beleid is gebaseerd op de Archeologiewet. Gebieden die volgens de archeologische waarderingskaart een vondstkans hebben van 50% of meer (zie hiervoor paragraaf 2.1.1) hebben de dubbelbestemming 'Archeologisch waardevol gebied' gekregen. Voor bepaalde ingrepen in de bodem (zie hiervoor paragraaf 6.3, Artikel 9 Waarde - Archeologie) dient de aanvrager van een omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Aan een reguliere omgevingsvergunning kunnen in dit verband regels worden verbonden.

3.4 Groenbeleid

Europees en nationaal beleid

Natura 2000 en de Natuurbeschermingswet 1998

Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, dat wordt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor bepaalde beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn in Nederland geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet kent voor de Natura-2000 gebieden een vergunningenstelsel en beheerplannen. Hiermee is een zorgvuldige afweging gewaarborgd van activiteiten in en rond de natuurgebieden die gevolgen kunnen hebben voor Natura-2000 gebieden en hun natuurwaarden. Activiteiten en projecten mogen in principe alleen uitgevoerd worden wanneer geen significante schade aan de natuurwaarden wordt gedaan.

Het beschermingsregime van de Natuurbeschermingswet strekt zich naast de gebieden die zijn aangewezen of aangemeld onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn ook uit over de Beschermde Natuurmonumenten (de Nbw-gebieden).

Natura 2000 'Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht'

Het Natura-2000 gebied 'Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht' is in 2013 definitief door de minister van EL&I aangewezen. Het is gelegen op 2500 meter van het plangebied, betreft het grootste deel van de uiterwaarden ten noorden van Zwolle die in 2007 deels als Habitatrichtlijngebied deels als Vogelrichtlijngebied is aangemeld. Hiermee is de afzonderlijke bescherming van bovengenoemd Nbw-gebied komen te vervallen.

De speciale instandhoudingsdoelstellingen van het gebied 'Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht' betreffen vier habitattypen, twee vissoorten, vijf broedvogelsoorten en zeven niet-broedvogelsoorten.

Vanwege de aanzienlijke afstand (2500 meter) tot het plangebied, in samenhang met de ligging van het plangebied midden in de bebouwde kom van Zwolle, wordt het uitgesloten geacht dat de voorgestelde wijzigingen in het plangebied van invloed kunnen zijn op de genoemde instandhoudingsdoelstellingen.

Vanwege de grote afstand van andere Natura-2000 gebieden (meer dan 5 kilometer) worden deze verder niet besproken.

Nationaal beleid

Flora- en faunawet

De Flora- en Faunawet regelt de bescherming van soorten planten en dieren die in hun voortbestaan worden bedreigd. Naast soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn dat ook soorten uit een nationale lijst. Daarnaast regelt de Flora- en Faunawet de zorgplicht, die stelt dat dieren niet onnodig mogen worden gedood, verwond of verstoord.

Niet iedere soort is onder de Flora- en Faunawet even zwaar beschermd. Dit is terug te vinden in de verschillen categorieën die in de wet worden genoemd: Tabel 1, 2, 3 en Vogels. In het kader van een ruimtelijke ingreep zoals de vestiging van het Hospice geldt ten aanzien van de verbodsbepalingen voor Tabel 1 - soorten een ontheffing. Door met een goedgekeurde gedragscode te werken geldt er een vrijstelling voor Tabel 2 - soorten ten aanzien van de ontheffingsplicht.

Provinciaal beleid

Het winterbed van de Vecht maakt onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), en tevens (samen met de landgoederen erlangs) van de GroenBlauwe HoofdStructuur (GBHS) uit het Omgevingsplan (2009). Het plangebied ligt (ver) buiten de EHS en buiten de GBHS. Dit provinciaal beleid is hier niet relevant.

Gemeentelijk beleid

Groenbeleidsplan en Structuurplan
De Raad heeft met het vaststellen van het gemeentelijke Groenbeleidsplan (1998) de Stedelijke Hoofdgroenstructuur aangewezen, welke bestaat uit een samenspel van groen- en waterelementen die tezamen een betekenis hebben voor de stad als geheel. Deze groenstructuur moet stevig genoeg zijn om duurzaam in stand te worden gehouden en zal meerdere functies vervullen, zal natuurwaarden in zich bergen en duidelijk herkenbaar zijn in de stad.

In het Structuurplan 2020 (2008) wordt dit beleid overgenomen door aan het Stedelijk Hoofdgroenstructuur de kwalificatie Structuurgroen te geven.

Groene structuren en voorzieningen op wijkniveau worden in het Groenbeleidsplan gerekend tot het Wijkgroen en in het Structuurplan 2020 tot het Buurtgroen.

Bomenverordening
Het gemeentelijk beleid rond bomen is vastgelegd in de Bomenverordening (2013). Voor het vellen van een boom met een omtrek groter dan 30 cm, die staat op een perceel van 400 m2 en groter, is een (kap)vergunning nodig als deze boom zich bevindt binnen de groengebieden die op de Groene Kaart staan aangegeven. De Stedelijke Hoofdgroenstructuur is één van deze gebieden. Onder vellen valt ook het rooien, het verplanten en het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Een ernstige beschadiging kan bijvoorbeeld optreden wanneer de wortels aangetast worden. Daarbij geldt als vuistregel dat de ruimte die bovengronds wordt ingenomen door de kroon, ondergronds wordt ingenomen door het wortelgestel. Daarom is het niet alleen ongewenst dat er gebouwd wordt binnen de projectie van de kroon op de grond, maar ook dat daar bijvoorbeeld verharding wordt aangebracht, wordt afgegraven of opgehoogd.

Bijzondere bomen
Bomen die vanwege ouderdom, omvang, soort of andere redenen bijzonder zijn, staan geregistreerd als bijzondere boom. Voor deze bomen geldt dat ze in principe niet gekapt mogen worden, tenzij daarvoor een uitzonderlijke reden is. Voor een kapvergunning is een aparte, zwaardere procedure vereist.

Kapvergunning met compensatie
Het basisprincipe is dat bij kap van bomen herplant plaats vindt; voor iedere gekapte boom een nieuwe boom. Wanneer bij functiewijziging er absoluut geen mogelijkheden zijn voor (voldoende) herplant, moet er financiële compensatie plaatsvinden. De waarde van de bomen wordt daarbij bepaald volgens de actuele methode van de Nederlandse Vereniging van Beëdigde Taxateurs van Bomen. Dit geld wordt gebruikt om in de stad bomen kwantitatief of kwalitatief te verbeteren.

Bij functiewijziging van een gebied dient in het vroegste stadium geïnventariseerd te worden welke bomen en groenstructuur gehandhaafd dient te blijven en of er Bijzondere Bomen staan. Alleen op basis van een goede doorwrochte groeninventarisatie en een verantwoorde afweging kan een kapvergunning worden aangevraagd en worden verleend. Er kan van compensatie worden afgeweken als daar vanuit de groenfunctie redenen voor aan te voeren zijn, namelijk omdat de resterende boombeplanting door de kap meer ruimte krijgt om zich tot volwassen boom te kunnen ontwikkelen of omdat de herplant niet gewenst is vanwege natuurwetenschappelijk belang, cultuurhistorische aspecten van het groen, landschappelijke kwaliteiten en/of recreatief gebruik.

3.5 Waterbeleid

Europees en nationaal beleid
Duurzaam, schoon oppervlaktewater en bescherming van het drinkwater voor de toekomst. Dat zijn, heel in het kort, de belangrijkste doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Waterbeheer 21e eeuw (WB21), die voortaan samengaan via het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW).

Provinciaal beleid
De Provincie Overijssel heeft haar beleid vastgelegd in een omgevingsvisie en een omgevingsverordening. Op 1 juli 2009 zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening is het ruimtelijk en milieubeleid van de provincie vastgelegd, dat onder meer in de plaats treedt van het Streekplan Overijssel 2000+ en de Verordening voor de Fysieke Leefomgeving. De Omgevingsvisie heeft tevens de status van Regionaal Waterplan onder de nieuwe Waterwet, de status van Provinciaal Waterhuishoudingsplan onder de Wet op de waterhuishouding tot de inwerkingtreding van de Waterwet, en de status van Milieubeleidsplan onder de Wet milieubeheer.

Waterschapsbeleid
Het algemene beleid van Waterschap Groot Salland is verwoord in het waterbeheerplan 2010-2015, de beleidsnota Leven met Water in Stedelijk Gebied, de Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Het beleid van het waterschap sluit nauw aan bij de uitgangspunten van WB21. In 2007 is de nota "Leven met Water in stedelijk gebied" vastgesteld. Deze nota beschrijft de voor het waterschap gewenste situatie in bestaand en nieuw stedelijk gebied. Om deze situatie te bereiken wil het waterschap het beheer en onderhoud van deze wateren overnemen van de gemeenten. Op watergangen van het Waterschap Groot Salland is de keur van toepassing. In de keur is aangegeven wat wel en niet mag bij watergangen, waterkeringen en kernzones. Bijvoorbeeld regels voor bouwwerken op of langs watergangen. De genoemde beleidsdocumenten liggen ter inzage op het hoofdkantoor van Waterschap Groot Salland. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wgs.nl.

Gemeentelijk beleid
De gemeente Zwolle heeft haar waterbeleid in 2008 vastgelegd in het Stedelijke Waterplan. Hierin zijn de ambities met betrekking tot de beleving en de kwaliteit van water beschreven. De gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van hemelwaterinfiltratie vastgelegd in de gemeentelijke bouwverordening. Verder zijn in het gemeentelijk rioleringsplan 2006-2010 ontwerprichtlijnen en beleidskeuzes beschreven waaraan voldaan moet worden.

De ontwikkelingen in het plangebied zijn niet in strijd met het bovengenoemde waterbeleid.

3.6 Beleid overige maatschappelijke voorzieningen

Het accommodatiebeleid is ondersteunend aan het gemeentelijk sociaal beleid. Accommodaties vormen de fysieke uitkomst van beleidsontwikkeling op terreinen als welzijn, zorg, sport, onderwijs en cultuur. Het in stand houden van een accommodatie is nadrukkelijk nooit een doel op zich, maar één van de middelen waarmee de gemeente activiteiten faciliteert die substantieel bijdragen aan bijvoorbeeld de sociale samenhang en leefbaarheid in een wijk.

De gemeente probeert om meer aansluiting te zoeken bij trends en majeure bewegingen in het veld. Omdat deze bewegingen niet alleen vanuit de gemeente, maar ook vanuit het maatschappelijk veld worden gevoed, blijken ze veel sterker en veel meer tot resultaat te leiden. Dit sluit aan bij de wens om vanuit de gemeente vooral de regierol te vervullen op sociaal terrein. Voorbeelden van deze bewegingen in het veld zijn de Brede School, de Woonzorgzones en ook de komst van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). Deze ontwikkelingen nemen een steeds dominantere plaats in als het gaat om het versterken van de sociale cohesie, het vergroten van de leefbaarheid en de revitalisering van wijken. Initiatieven vanuit het veld en de gemeente hebben ertoe geleid dat voorzieningenclusters zijn ontstaan, afgestemd op de behoeften in de wijken.

Voor zover belanghebbende groepen daartoe niet in staat zijn, zorgt de gemeente in de voorwaardenscheppende sfeer voor voldoende en kwalitatief goede accommodaties, evenwichtig over de stad gespreid. Voorts moet het strategisch accommodatiebeleid een belangrijke bijdrage leveren aan de doelstelling dat Zwolle levensloopbestendige wijken krijgt. Hiervoor moet het voorzieningenniveau op peil, toegankelijk en aantrekkelijk zijn. Voorzieningen voor jong en oud, draagkrachtig en minder draagkrachtig, autochtoon en allochtoon, mensen met of zonder beperking.

3.7 Milieubeleid

Algemeen beleid

De gemeenteraad heeft in 2005 de milieuvisie 'Milieu op scherp' vastgesteld. De milieuvisie geeft de richting aan van het Zwolse milieubeleid. In de milieuvisie worden ambities en doelstellingen geformuleerd en worden prioriteiten gesteld in de ontwikkeling en uitvoering van het Zwolse milieubeleid.
In de milieuvisie is de strategie geformuleerd die Zwolle wil hanteren om te komen tot een effectief en efficiënt milieubeleid. Er worden parallelle sporen gevolgd.

Per sector (geluid, bodem, externe veiligheid, luchtkwaliteit enzovoort) wordt beleid geformuleerd. Op dit moment is voor de sectoren energie, duurzaam bouwen, bodem, grondwater, geluid, afval en externe veiligheid beleid vastgesteld.

Zwolle heeft daarnaast gebiedsgericht milieubeleid ontwikkeld. Door middel van een gebiedsgerichte aanpak wordt het sectorale milieubeleid per gebied geïntegreerd. Het principe is dat binnen het grondgebied van Zwolle diverse gebiedstypen worden onderscheiden op basis van ruimtelijke kenmerken en functies. Vervolgens wordt vastgesteld welke milieukwaliteit nagestreefd wordt bij een dergelijk gebiedstype. Uiteindelijk zal dit referentie milieukwaliteitsprofiel de basis vormen voor de uitwerking van het milieubeleid in een specifiek gebied. Voor de A28 zone, de Spoorzone, het bedrijventerrein de Vrolijkheid en .zijn gebiedsgerichte milieuvisies opgesteld.

Het beleid voor de aspecten geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, duurzaamheid en bodemkwaliteit zijn relevant voor de Hospice Wipstrikkerallee. Dit beleid wordt in de volgende paragrafen kort beschreven.

Geluid

In de milieuvisie 'Milieu op scherp' wordt de ambitie voor geluid als volgt omschreven.
Zwolle is een dynamische stad met geluidsniveaus die passen binnen de wettelijke grenswaarden. Er zijn alleen geluiden die passen bij de functie van een gebied. Een belangrijke doelstelling is het verminderen van geluidshinder in bestaande woningen en voorkomen van geluidshinder bij renovatie en nieuwbouw. Een belangrijke maatregel om deze doelstelling te bereiken is het toepassen van stillere wegdeksoorten. Een andere maatregel is het meenemen van de geluidsdoelstellingen bij de ruimtelijke planontwikkeling.

In de door de gemeenteraad vastgestelde 'Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle' (juli 2007) en in de beleidsregel 'Hogere waarden Wet geluidhinder' (februari 2007) worden de ambities en de grenswaarden (dit is maximale waarde waarvoor nog hogere grenswaarden worden vastgesteld) per gebiedstype genoemd.

Het plangebied van de Hospice Wipstrikkerallee behoort tot het gebiedstype "stedelijk gebied" Dit zijn gebieden met een menging van wonen en verspreid werken. Het gaat vaak om levendige wijken vooral langs drukke wegen. Openbaar vervoer is van redelijke kwaliteit. Geconcentreerd groen in de wijk, binnen tuinen en parkjes en bomenlanen (Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu, gemeente Zwolle, Julie 2007).

Bij dit gebiedstype behoort de volgende ambitie: 48 dB voor wegverkeer. Voor de andere geluidsoorten, railverkeer en industrielawaai, zijn geen ambities geformuleerd. De grenswaarden, dit is de basiskwaliteit volgens het gemeentelijk gebiedsgerichte milieubeleid, bedraagt 58 dB voor wegverkeer, 63 dB voor railverkeer en 55 dB(A) voor industrielawaai.

Luchtkwaliteit

Het luchtkwaliteitsplan gemeente Zwolle 2007-2011 beschrijft de luchtkwaliteitssituatie in Zwolle, de opgave, de ambitie en de aanpak om de vastgestelde doelen te bereiken.
Zwolle wil binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit. Om dat te bereiken zijn de volgende doelen geformuleerd:

  • voldoen aan wet- en regelgeving;
  • anticiperen op de toekomst;
  • knelpunten in de toekomst moeten voorkomen worden.

Dit betekent dat de luchtkwaliteit in het planvormingsproces van ruimtelijke plannen en verkeersplannen wordt meegenomen: beleid ten aanzien van luchtkwaliteit inbedden in bestaand gemeentelijk beleid. De gemeente streeft ernaar dat het aspect door gaat werken in het verkeers- en vervoersbeleid, het ruimtelijke ordeningsbeleid en het beleid van vergunningen en handhaving.

Externe veiligheid

De beleidsvisie externe veiligheid is op 2 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente streeft ernaar voor haar gehele grondgebied te voldoen aan de basisveiligheid.

Dit betekent dat:

  • overal voldaan wordt aan de normen voor plaatsgebonden risico;
  • een gebiedsgericht invulling wordt gegeven aan groepsrisicobeleid met een gebiedsgericht kader externe veiligheid;
  • veiligheidsdoelstellingen passend bij de typering van het gebied worden toegepast;
  • zoveel mogelijk geanticipeerd wordt op de landelijke beleidsontwikkeling die een ongunstige invloed kunnen hebben op de veiligheidssituatie in Zwolle met als doel het bewaken van een optimaal veiligheidsniveau.

In januari 2009 heeft de gemeenteraad het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van ene mogelijke toename van het groepsrisico. Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen.

Het plangebied behoort tot het gebiedstype 'stedelijk'. Voor dit gebiedstype geldt dat een beperkte toename van het groepsrisico en een overschrijding van de oriëntatiewaarde is toegestaan mits dit vanuit de kenmerken van de locatie en maatregelen te verantwoorden is. Binnen het gebiedstype geldt dat er in principe geen plek is voor bestaande of nieuwe risicovolle activiteiten mits de PR 10-6 contour binnen de inrichtingsgrens blijft.

Het plangebied valt niet onder het gebiedstype 'stroomzone'. Stroomzones zijn gebieden rondom infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Bodem

Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. In dat kader heeft de gemeente Zwolle op 9 december 2008 een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld, waarop voor de hele gemeente wordt aangegeven welke functie de bodem heeft of welke functie in de toekomst wordt nagestreefd. De functieklassenindeling is gebaseerd op het gebiedsgericht milieubeleid van de gemeente. Daarnaast is op 1 december 2009 door de gemeente een bodemkwaliteitsklassenkaart vastgesteld. De indeling van deze kwaliteitsklassen is gebaseerd op de huidige bodemkwaliteit van de deelgebieden.

Volgens het gemeentelijke Bodembeleidsplan (van kracht per 11 januari 2010) mag de bodemkwaliteitsklassenkaart als kwaliteitsbewijs worden gebruikt bij het herontwikkelen van een locatie. Eventueel vrijkomende grond mag volgens het bodembeleid binnen de gemeente worden hergebruikt met de bodemkwaliteitsklassenkaart als kwaliteitsbewijs. Voorwaarde hiervoor is dat de locatie niet verdacht wordt van bodemverontreiniging op basis van het huidige of historische gebruik, en er geen (al dan niet gesaneerd) geval van bodemverontreiniging bekend is.

Indien er aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de functie, kan een bodemonderzoek nodig zijn om te bepalen of de locatie gesaneerd dient te worden. In principe worden verontreinigingen in de bovengrond functiegericht gesaneerd. Dit houdt in dat een locatie geschikt wordt gemaakt voor de functie.

De terugsaneerwaarde is afhankelijk van de functie van de locatie en gericht op het voorkomen van eventuele risico's. Bij een functiegerichte sanering wordt daarom vaak een leeflaag aangebracht, die contact met de verontreinigde grond moet voorkomen.

Duurzaamheid

Klimaatbeleid-interimbeleid 2009

Op 9 mei 2011 heeft de gemeenteraad een duurzaamheidvisie vastgesteld, waarin ambities en doelstellingen zijn opgenomen voor de Gemeente Zwolle. Er zijn vijf principes (koester diversiteit, duurzaamheid als leidend principe, duurzaamheid is van en voor de stad, benutten lokale bronnen, transitie en innovatie) van duurzaamheid genoemd die als inspiratie en richtlijn dienen voor de uitvoering van duurzaamheid. De principes van duurzaamheid zorgen ervoor dat gestructureerd wordt nagedacht over duurzaamheid in alles wat we doen, van bedrijfsvoering tot beleidsontwikkeling en -uitvoering en de samenwerking met partijen in de stad.

In 2009 heeft het college een interim klimaatbeleid vastgesteld met betrekking tot nieuwbouw van woningen en utiliteitsgebouwen om het verouderde gemeentelijk klimaatbeleid in overeenstemming te brengen met het rijksbeleid vooruitlopend aan de vaststelling van nieuw gemeentelijk klimaatbeleid. Daarbij is de volgende doelstelling geformuleerd: het aandeel duurzame energie van het totale energiegebruik voor een nieuw te bouwen woning of utiliteitsgebouwen bedraagt tenminste 60%.

De toepassing van koude warmte opslag (KWO) draagt in belangrijke mate bij niet alleen aan de doelstellingen van het interim klimaatbeleid, maar ook aan de doelstellingen van de Visie op de Ondergrond en het daarvan afgeleide gebiedsbeheersplan (zie beneden). Andere maatregelen om genoemde doelstellingen te bereiken zijn de toepassing van zonne-energie (PV en zonnecollectoren) en verbeterde isolatie.

Visie op de ondergrond

Zwolle wil de evenwichtige groei en duurzame ontwikkeling van de stad voortzetten en goed regelen. Bij een optimale inrichting en ruimtegebruik is ook de ondergrondse dimensie een factor van betekenis. De gemeenteraad heeft hiervoor in oktober 2007 de Visie op de ondergrond vastgesteld en besloten de basisprincipes uit deze visie toe te passen in projecten. Deze basisprincipes zijn verder uitgewerkt in het gebiedsbeheersplan voor het centrumgebied van Zwolle.

Belangrijke uitgangspunten zijn ondermeer het structureel en georganiseerd toepassen van koude en warmte opslag (KWO), het koppelen van KWO aan grondwatersaneringsopgaven en de beheersing van grondwaterverontreinigingen in het centrumgebied.

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van de vastgestelde gebiedbeheerplannen Centrum.

Hoofdstuk 4 Beperkingen

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op aspecten die beperkingen met zich meebrengen bij het toekennen van bestemmingen. Het betreft zowel de diverse milieuaspecten als de ligging van kabels, leidingen en straalpaden.

4.2 Milieu

4.2.1 Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met de geluidsproductie van wegverkeer, spoorwegen en industrie. Aan deze aspecten wordt in deze paragraaf aandacht besteed. In de Wgh wordt het begrip 'geluidszone' gehanteerd. Met een geluidszone wordt het aandachtsgebied rond (spoor)wegen en industriegebieden afgebakend waarbinnen de regels van de Wgh van kracht zijn. Het akoestisch onderzoek richt zich altijd op woningen en 'andere geluidsgevoelige bestemmingen' (bijvoorbeeld scholen of bijzondere woonvormen) die binnen de geluidszone zijn gelegen.

Wegverkeerslawaai

Volgens de Wgh moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de actuele en toekomstige geluidsbelasting indien een bestemmingsplan geluidsgevoelige functieveranderingen toestaat voor gebieden die liggen langs zoneplichtige wegen. Het huidige bestemmingsplan staat nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen toe, namelijk het realiseren van een hospice en maatschappelijke functies elders binnen het plangebied.

Nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is om die reden uitgevoerd (Hospice Wipstrikkerallee, akoestisch onderzoek weg- railverkeerslawaai, 9 januari 2014, gemeente Zwolle). Voor het onderzoek naar mogelijke geluidmaatregelen wordt verwezen naar een akoestisch onderzoek dat in 2012 is uitgevoerd (School en Hospice Wipstrikkerallee, akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, gemeente Zwolle, 10 mei 2012).

De volgende zoneplichtige wegen hebben invloed op het plangebied: de Ceintuurbaan en de Wipstrikkerallee. Tussen de Ceintuurbaan en het plangebied is een geluidwal aanwezig, hiermee is rekening gehouden in de akoestische berekening. Daarnaast zal het terrein worden opgehoogd in verband met de waterhuishouding. Ook deze terreinophoging is meegenomen in de akoestische berekening.

Uit de akoestische berekening 2014 blijkt dat het hospice (noordelijk deel van de bouwkavel) voldoet aan de basiskwaliteit uit het gebiedsgerichte milieubeleid voor stedelijk gebied. Zowel op de begane grond als op de eerste verdieping wordt de grenswaarde (58 dB) niet overschreden. De voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt wel overschreden zodat hogere grenswaarden noodzakelijk zijn. Aangezien aan de basiskwaliteit wordt voldaan worden deze hogere grenswaarden verleend.

De geluidbelasting op het zuidelijk deel van de kavel, het gebied tussen het hospice en Urbana, is hoger omdat de geluidwal daar eindigt. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat een gedeelte niet voldoet aan de basiskwaliteit, 58 dB. Om die reden is voor dit deel een aanduiding opgenomen waardoor geluidgevoelige functies niet mogelijk zijn binnen dit gedeelte van het plangebied. Het gedeelte dat wel voldoet aan de basiskwaliteit voldoet echter niet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, dus hogere grenswaarden blijven ook hier noodzakelijk. Aangezien aan de basiskwaliteit wordt voldaan worden deze hogere grenswaarden verleend.

Wanneer hogere grenswaarden noodzakelijk zijn dient altijd onderzocht te worden of er maatregelen (bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen of gevelmaatregelen) mogelijk zijn zodat alsnog wordt voldaan aan de normen uit de Wet geluidhinder (voorkeursgrenswaarde, 48 dB).
In 2012 is in het kader van het toen aanwezige plan (een school met gymzaal en het hospice) een onderzoek gedaan naar de mogelijke maatregelen. Uit dit onderzoek bleek dat bronmaatregelen, verlaging van de snelheid op de Ceintuurbaan of een ander soort asfalt, niet mogelijk waren. Maatregelen in de overdrachtssfeer, het ophogen of verlengen van de geluidwal, zijn onderzocht maar bleken onvoldoende doelmatig. Er was weliswaar een afname van de geluidbelasting (2 dB) maar deze is gering en wordt niet doelmatig geacht. Door geluidgevoelige maatschappelijke functies aan de zijde van de Ceintuurbaan uit te sluiten wordt planologisch een geluidmaatregel getroffen. Een niet geluidgevoelige functie op deze plek kan een afschermende werking hebben voor functies verder weg van de Ceintuurbaan.

Spoorweglawaai

Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de spoorwegtracé Zwolle - Meppel. In het plangebied worden binnen de zone van deze spoorweg nieuwe geluidsgevoelige functies opgenomen, Nader onderzoek naar spoorweglawaai is om die reden uitgevoerd (Hospice Wipstrikkerallee, akoestisch onderzoek weg- railverkeerslawaai, 9 januari 2014, gemeente Zwolle).
De maximale geluidsbelasting bedraagt ten gevolge van het spoor 53 dB. De voorkeursgrenswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Spoorweglawaai vormt geen beperking voor het plangebied.

Industrielawaai

Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van het geluidgezoneerde bedrijventerrein Marslanden. Industrielawaai heeft daarom geen invloed op het plan.

4.2.2 Bedrijvigheid (Wet milieubeheer)

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Er is geïnventariseerd welke bedrijvigheid voorkomt in of nabij het plangebied die van invloed kunnen zijn.

Bloemenkwekerij Ekkelenkamp
Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich een bloemenkwekerij (Wipstrikkerallee 211). Op het perceel bevindt zich een verwarmde kas met bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning. De planologische bestemming is 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Volgens de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' is de richtafstand tussen een dergelijke bestemming en een rustige woonwijk bij voorkeur 30 meter. Het maatgevende milieuaspect is het geluid dat leidt tot een afstandseis van 30 meter. Ook geur en gevaar (bestrijdingsmiddelen) spelen een rol. De afstand tussen het aanwezige bedrijfsgebouw en de nieuwe bestemming 'Gemengd', waarbinnen geluidgevoelige functies mogelijk zijn, bedraagt 20 meter. Deze tussenruimte is bestemd als 'Tuin'. Gebruik ten behoeve van een tuin is geen gevoelige functie en voldoet derhalve. Aan de afstandeis uit de VNG brochure wordt echter niet voldaan. Dit is echter geen bezwaar omdat gemotiveerd kan worden afgeweken van de genoemde afstandscriteria. In dit geval is onderzoek verricht naar de huidige en toekomstige activiteiten binnen de planologische bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' op de Wipstrikkerallee 211. Uit dit onderzoek bleek dat het kweken van bloemen is gestaakt en de kas wordt gebruikt voor elders ingekochte bloemen en planten die gereed worden gemaakt voor verkoop elders. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is gestaakt en ook de omvang van de koel en verwarmingsinstallatie is zodanig dat er geen overlast voor de omgeving is te verwachten.
Ook is het zeer onwaarschijnlijk dat het toekomstig gebruik van de bestemming zal leiden tot glastuinbouw met significante effecten voor de omgeving. Dat heeft vooral te maken met de omvang van de bestemming, deze is slechts 300 m2. Een rendabele bedrijfsvoering is op een dergelijke oppervlakte niet mogelijk. Bovenstaande is een voldoende onderbouwing om af te wijken van de afstandseis van 30 meter en de gronden met de bestemming 'Tuin' als buffer te beschouwen.

Uitspanning Urbana
Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich het zalencentrum en restaurant/café Urbana. De parkeerplaats van Urbana grenst aan de zuidzijde van het plangebied. Het restaurantgebouw ligt op ruim 20 meter afstand van het plangebied. De afstand van de parkeerplaats van Urbana tot aan het plangebied bedraagt ongeveer 10 meter. Volgens de VNG brochure bedrijven en milieuzonering is de afstand tussen een restaurant, congrescentrum, conferentieoord en een rustige woonwijk bij voorkeur meer dan 10 meter. Het maatgevend aspect is geluid. Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn bijzondere woonvormen en bedrijfswoningen mogelijk. Ook de zorgfuncties die binnen de functie maatschappelijk mogelijk zijn kunnen wat betreft hindergevoeligheid worden gelijkgesteld aan de functie wonen. De richtlijn van 10 meter is voor derhalve van toepassing. Aan deze richtlijn kan worden voldaan.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) toegepast.

4.2.3 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. In dit nieuwe stelsel speelt het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) een belangrijke rol. Een project is NIBM als aannemelijk wordt gemaakt dat het project een toename van concentratie van niet meer dan 3% veroorzaakt. In dat geval hoeft geen verdere toetsing van de gevolgen van de ontwikkeling aan de grenswaarden plaats te vinden.

In 2007 zijn in het kader van de reconstructie Ceintuurbaan en nieuwbouw Isala Klinieken onderzoeken uitgevoerd naar de luchtkwaliteit. Uit deze rapporten blijkt dat zowel in de situatie van 2007 als na planrealisatie in de toetsjaren 2009, 2010 en 2017 steeds wordt voldaan aan de normen uit het Besluit Luchtkwaliteit.

Het huidige bestemmingsplan laat nieuwe bestemmingen toe die kunnen leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van de verkeersaantrekkende werking. De verkeersaantrekking is echter zodanig klein dat dit niet zal leiden tot een verslechtering in betekenende mate. Volgens de NIBM-tool van het ministerie van IenM treedt er pas bij een toename van meer dan 1400 motorvoertuigen per etmaal een verslechtering op die in betekenende mate kan bijdragen. De ontwikkeling in dit plangebied zal niet leiden een dergelijke verkeersaantrekkende werking.

Gevoelige bestemmingen
In 2008 heeft de Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) een advies over luchtkwaliteit en gevoelige bestemmingen uitgebracht in het rapport 'Luchtkwaliteit en gezondheid' (RIVM, S.C. van der Zee, I.C. Walda et al, 2008). Uit onderzoek blijkt de gezondheidsrisico's voor mensen die langere tijd vlak langs een drukke weg verkeren grotere zijn dan voor mensen die verder van een drukke weg verkeren.

In de praktijk is er zelden of nooit sprake van (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit en is er geen grond om de bouw van gevoelige bestemmingen op basis van het Besluit 'Gevoelige Bestemmingen' tegen te houden. Los hiervan vindt de GGD dat toetsing moet plaatsvinden op basis van afstand tot de weg en niet op basis van de concentratie. Daarnaast houdt het Besluit geen rekening met drukke binnenstedelijke wegen wat wel wenselijk is volgens de GGD. De Ceintuurbaan kan met een verkeersintensiteit van circa 40.000 voertuigen per etmaal gedefinieerd worden als een 'drukke' weg.

Langs de A28 en langs de Ceintuurbaan worden met het bestemmingsplan Ceintuurbaanzone geen nieuwe vestigingsmogelijkheden voor gevoelige functies mogelijk gemaakt.

4.2.4 Bodemkwaliteit

Op het moment dat een ontwikkeling of een herziening van een bestemmingsplan op handen is moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied. De bodemkwaliteit kan een beperkende factor zijn voor de beoogde functie of de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan.
Hiervoor dient in de regel, naast het raadplegen van onder andere het gemeentelijk bodeminformatiesysteem, bodemonderzoek te worden verricht. Daarnaast kan ook gebruik worden gemaakt van een bodemkwaliteitskaart met bodembeheernota en andere bronnen van informatie (Globis, Historisch bodembestand).

Om een beeld te krijgen in de kwaliteit van de bodem is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek (Verkennend bodemonderzoek naast Wipstrikkerallee 211 te Zwolle, 18 december 2013, Tauw) is als bijlage toegevoegd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat de locatie nagenoeg vrij is van verontreinigingen, met uitzondering van licht verhoogde gehalten van koper, kwik, lood, zink, PAK en chloordaan in de bovengrond. In de ondergrond zijn geen van de onderzochte stoffen in verhoogde mate aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verhoogde concentraties van barium, koper en nikkel aangetroffen. De gehalten / concentraties zijn dusdanig licht verhoogd dat er geen risico's aanwezig zijn voor de mens of het milieu.

Op basis van de resultaten van het onderzoek zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen functieverandering.

4.2.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico's. Er wordt gelet op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen in bedrijven alsmede op het transport van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen.

Bij de beoordeling van de risico's voor de externe veiligheid gelden twee risicogrootheden:

  • Het plaatsgebonden risico (PR): dit is de overlijdenskans voor een individu in de omgeving van de installatie als gevolg van een ongeval met die installatie.
  • Het groepsrisico (GR): dit is de cumulatieve kansverwachting voor slachtofferaantallen in de omgeving van een installatie als gevolg van mogelijke ongevallen met die installatie.

Binnen het plangebied bevinden zich geen risicovolle activiteiten of functies. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich ook geen risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het externe veiligheidsrisico. Een uitzondering vormt de spoorlijn Zwolle-Meppel. Over deze spoorlijn worden gevaarlijke stoffen vervoerd waaronder toxische gassen. Het relevante scenario is een toxische gaswolk. Andere scenario's zijn voor dit plangebied niet van toepassing. Bij het scenario "toxische gaswolk" is schuilen in gebouwen een effectieve handeling. Het is van belang dat de gebouwen de mogelijkheid bieden de luchtinname actief af te sluiten.

4.2.6 Ecologie

Eventuele beperkingen die gelden vanuit ecologie kunnen voortvloeien uit de Flora- en Faunawet, als wel uit het gemeentelijk Groenbeleid (in het bijzonder de Bomenverordening 2013).

Flora- en faunawet

Op 8 januari 2014 is een quickscan uitgevoerd door middel van een veldonderzoek en een deskstudie (Notitie quickscan flora en fauna Bestemmingsplan Hospice Wipstrikkerallee, gemeente Zwolle, Ecoresult 2014). Het onderzoek had tot doel om een reële inschatting te kunnen maken van de uitvoerbaarheid van het nieuwe bestemmingsplan vanuit de Flora- en faunawet.

Conclusie quickscan

  • Het plangebied is potentieel ongeschikt voor beschermde vaatplanten. Potentieel geschikte groeiplaatsen zijn niet aangetroffen.
  • Het plangebied is potentieel ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen in gebouwen. Gebouwen zijn afwezig.
  • Het plangebied is potentieel zeer geschikt voor vleermuizen in bomen. Potentieel geschikte voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen zijn aangetroffen in al dan niet monumentale bomen.
  • Het plangebied is potentieel geschikt om te fungeren als foerageergebied. In de nabije omgeving zijn ruimschoots alternatieven te vinden.
  • In het plangebied zijn lijnvormige elementen voor een potentiële vliegroute aanwezig. In de nabije omgeving zijn ruimschoots alternatieven te vinden.
  • Het plangebied is potentieel geschikt voor beschermde grondgebonden zoogdieren. Potentieel geschikte voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen zijn aangetroffen in bomen en ruigte binnen en grenzend aan het plangebied. Het betreffen eekhoorn (vaste rust- en verblijfplaatsen, functioneel leefgebied) en steenmarter (vaste rust- en verblijfplaatsen, functioneel leefgebied).
  • Het plangebied is potentieel geschikt voor functioneel leefgebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten (zogenaamde categorie 1 tot en met 4-soorten) in gebouwen.
  • Het plangebied is potentieel geschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Er staan grote jaarrond groene bomen en bomen met klimop. Potentieel geschikte nesten zijn tijdens het veldonderzoek niet aangetroffen,. Maar vanwege de omvang en het aanwezige loof kan niet worden uitgesloten dat te verwachten soorten buizerd en sperwer het plangebied gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats en/of voortplantingsplaats.

Maatregelen
Uit de conclusie van de quickscan komt naar voren dat het plangebied zelf als de omgeving geschikt is als habitat voor beschermde soorten. Met name ten aanzien van verblijfsplaatsen van vleermuizen spelen de bomen in de aangrenzende groenstructuur een belangrijke rol.

Vleermuizen zijn gevoelig voor bomenkap en het aanbrengen van lichtbronnen. Hier dient dan ook rekening mee te worden gehouden bij de realisatie van het project. Dit moet meetbaar en toetsbaar zijn.

Om negatieve effecten te voorkomen in de uitvoering moet allereerst duidelijk worden of er bomen worden gekapt. Wanneer er kap gaat plaatsvinden dient te zijn vastgesteld welke functie de potentieel geschikte verblijfplaatsen hebben ten aanzien van de beschermde soorten/soortgroepen; vleermuizen, buizerd, sperwer, eekhoorn.

Geconcludeerd is dat de algehele uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in het geding is. Bij de uitvoeringsfase dient rekening te worden gehouden met bovenstaande.

Bomenverordening

Er is door gemeente Zwolle in 2013 een bomeninventarisatie van het gehele plangebied en directe omgeving uitgevoerd. Hieruit komt naar voren dat ruim honderd bomen zijn geïnventariseerd, waaronder een kleine 50 bijzondere bomen. Beperkingen ten aanzien van de bruikbaarheid van het te ontwikkelen terrein vanuit dit bomenbestand worden gevormd door de kroonprojecties, die een fors deel van het voorterrein beslaan, en waar ontwikkelingen beperkt mogelijk zijn (geen ophoging of verharding anders dan met maatregelen). Ook de plek van de inrit van het terrein vanaf de Wipstrikkerallee moet vanwege de bomenrij langs deze weg met zorg worden gekozen. Voor de toekomstige veiligheid van het terrein is het belangrijk om het bosje en de bomenrijen na te zien op stormgevaarlijke situaties en hier en daar te dunnen.

4.2.7 Waterbeheer

Waterkering

In of grenzend aan het plangebied is geen waterkering aanwezig.

Overstromingsrisico

Het plangebied (zie figuur 1) is gelegen in dijkring 53, Salland. Deze dijkring wordt omsloten door de Vecht aan de noordzijde, de IJssel aan de westzijde en het Zwarte Water aan de noordwestzijde. Omdat het bestemmingsplan ruimte biedt aan de ontwikkeling van niet incidentele overstromingsgevoelige functies en omdat het plangebied gelegen is in dijkring 53 is een overstromingsrisicoparagraaf verplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0009.jpg".

figuur 1: dijkring 53

Risico-inventarisatie

Voor de keringen van dijkring 53 is de overschrijdingkans genormeerd op 1/1.250e per jaar. Op basis van de provinciale risicokaart wordt de maximale waterdiepte, in Zwolle voor dijkring 53 tijdens een overstroming, geschat tussen de 0,8 en 2,0 meter. De mogelijke waterdiepte kan daarmee worden aangeduid als ondiep (figuur 2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0010.png"

figuur 2: maximale waterdiepte tijdens een overstroming

Afhankelijk van de locatie waar een dijk doorbreekt zal water dijkring 53 binnen stromen. In figuur 3 zijn twee maatgevende locaties (Olst en Berkum) weergegeven die uiteindelijk zullen leiden tot een waterstand weergegeven in figuur 2 en de snelheid waarmee het water dijkring 53 instroomt (figuur 3).

Door deze herinrichting van het plangebied blijft het risico gelijk aan bestaand situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0011.png"
figuur 3: boven: dijkdoorbraak Olst, onder: dijkdoorbraak Berkum (Zwolle)

Maatregelen

Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijkringen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en).

Waterwinning

Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied.

4.3 Kabels, leidingen en straalpaden

Leidingen

Langs de route Wipstrikkerallee/Kuyerhuislaan loopt een rioolpersleiding.

Straalpaden

Boven het plangebied bevindt zich een straalpad van de straalverbindingstoren Zwollerkerspel naar Ugchelen. Door de hoogteligging tussen 46 en 50 meter van het straalpad naar Ugchelen levert dit straalpad geen beperkingen op voor de bebouwing, welke in het tracé van dit straalpad is gelegen.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de doelstelling en de uitgangspunten die gehanteerd zijn bij het maken van dit bestemmingsplan.

5.1.1 Doelstelling

Dit bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkeling van het gebied planologisch mogelijk te maken. Dit plan geldt na inwerkingtreding als nieuw toetsingskader en treedt voor het betreffende plangebied in de plaats van het op dit moment geldende bestemmingsplan.

5.1.2 Uitgangspunten

Bij de keuzes van bestemmingen voor het gebied is van de volgende uitgangspunten uitgegaan:

  • De gronden die de realisatie van maatschappelijke voorzieningen, waaronder een hospice, en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mogelijk maken krijgen de bestemming Gemengd.
  • De regels bij de overige bestemmingen (Groen, Tuin, Verkeer - Erftoegangsweg, Leiding - Riool en Waarde - Archeologie) zijn grotendeels afgeleid van de geldende bestemmingen uit het bestemmingsplan Ceintuurbaanzone. De regels van deze bestemmingen vinden hun oorsprong in het 'Handboek bestemmingsplannen Zwolle' versie 20. Hierdoor wordt eenduidigheid in de regelgeving bereikt.
  • De bebouwingsmogelijkheden in het bestemmingsplan zijn vormgegeven aan de hand van de Stedenbouwkundige randvoorwaarden (zie paragraaf 5.4.1).
  • De bebouwingsmogelijkheden en de functionele mogelijkheden houden rekening met de beperkingen die er ruimtelijk oogpunt op het gebied van toepassing zijn (zie hoofdstuk 4 Beperkingen).
  • Waar cultuurhistorische, archeologische of monumentale belangen in het geding zijn worden deze beschreven en wordt een regeling ontworpen die in overeenstemming is met het te beschermen belang.
  • Het plan is digitaal, gecodeerd volgens het 'Informatie Model Ruimtelijke Ordening' (IMRO). Dit is een landelijke standaard om bestemmingsplannen digitaal te kunnen uitwisselen met andere instanties. Het plan is bovendien gemaakt volgens de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012). Deze landelijke standaard is ingesteld om bestemmingsplannen op een uniforme wijze te kunnen presenteren (zie paragraaf 6.1).
  • Het plan is flexibel (*1) en globaal (*2) binnen zekere grenzen. Het plan dient rechtszekerheid te bieden omtrent de ruimte voor veranderingen.


*1) Van flexibiliteit is sprake als kan worden afgeweken van in het plan opgenomen regelingen, zonder dat een formele planherziening nodig is. Hoe meer afwijkingsmogelijkheden en hoe lichter de hiervoor geldende procedure, hoe flexibeler een plan is. Zo kunnen processen op een gestructureerde manier worden begeleid en beschikt het gemeentebestuur tegelijkertijd over de gewenste sturingsinstrumenten. In elk bestemmingsplan moet steeds een evenwicht gevonden worden tussen flexibiliteit en rechtszekerheid.

*2) Onder globaliteit wordt verstaan de mate waarin bestemmingen en bestemmingsomschrijvingen een multifunctioneel of pluriform karakter hebben en als gevolg tot op zekere hoogte slechts indicatief van aard zijn. Zo vormt de bestemming 'Woongebied' een globale bestemming, wanneer binnen deze bestemming diverse functies zijn ondergebracht (bijvoorbeeld wonen, erven, tuinen, wegen en andere voorzieningen) en de situering van deze functies niet op de plankaart noch in de regels is vastgelegd. Doorgaans strekken globale bestemmingen zich uit over grotere oppervlakten.

5.2 Plangebied

Het plangebied wordt globaal begrensd door de Wipstrikkerallee (zuidwestzijde), de Wipstrikkerallee 209 en 211 (noordwestzijde), de Ceintuurbaan (noordoostzijde) en de Wipstrikkerallee 213 (zuidoostzijde).

Het betreft de kadastrale percelen ZLE00, sectie B, nr.06082, perceel ZLE00, sectie B, nr.07605 (gedeeltelijk) en perceel ZLE00, sectie B, nr.07450 (gedeeltelijk).

5.3 Beheer

Groenvoorziening met kleinschalige waterpartij

De functie van de groenvoorziening met de kleine waterpartij nabij de aantakking van de Herenweg op de Wipstrikkerallee wordt op een conserverende manier in dit bestemmingsplan vastgelegd. Gelet op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden is het gewenst dit deel van het plangebied een bestemming te geven die deze waarden respecteert. Om die reden is de bestemming 'Groen' aan deze gronden gegeven.

5.4 Ontwikkeling

5.4.1 Bebouwingsstructuur
5.4.1.1 Stedenbouwkundige aspecten

Stedenbouwkundige verkenning

Gelegen aan de rand van de stad, grenzend aan vrijstaande woningen op ruime kavels en met veel groen in de omgeving is het gebied te kwalificeren als een landgoedsetting. Het luxe imago van het wonen aan de Wipstrikkerallee (de zogenoemde goudkust) straalt op de locatie af en geeft de plek een zekere allure in woonmilieu. De woningen in de nabije omgeving staan op ruime en middelgrote kavels. Vanuit stedenbouwkundige optiek is het wenselijk om aan te sluiten bij de grootte van de ruime en middelgrote kavels van de nabije omgeving. In de geleidelijke overgang van verdichte woningbouw in de stad naar vrijstaande bebouwing, ruimte en groen aan of buiten de ring is het daarnaast niet wenselijk om op de locatie opnieuw te verdichten en zo een satellietwijk te creëren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP13013-0002_0012.jpg"

afbeelding: verkenning stedenbouwkundige aandachtspunten

Stedenbouwkundige randvoorwaarden

  • Het gebied ligt temidden van een schaalsprong in volume van bebouwing. Ten westen van het gebied staan vrijstaande woonvilla's en ten oosten bevindt zich uitspanning Urbana en ten zuidoosten zijn grotere appartementencomplexen gerealiseerd. De toekomstige bebouwing sluit per bouwvlak met één volume aan op de belendende schalen van de woonvilla's en Urbana, waarmee het de schaalsprong verkleint en aansluit op de aanwezige korrelgrootte.
  • De maximaal toegestane goot hoogte van de bebouwing is 8 meter. Daarboven kan een afdekking of een bouwlaag met kap worden aangebracht. De maximale bouwhoogte van de bebouwing mag niet meer dan 12 meter bedragen.
  • Om stedenbouwkundig gezien de openheid van het gebied te garanderen mag de bebouwing maximaal 65% van het bouwvlak beslaan.
  • De bomenhaag nabij de perceelgrens met uitspanning Urbana dient gerespecteerd te worden. De bebouwing aan deze zijde van het gebied dient minimaal 5 meter afstand te houden tot de perceelgrens.
  • Tussen de ontsluitingsweg en de naastgelegen bouwmogelijkheid dient minimaal 3 meter afstand te worden gehouden om het gebied stedenbouwkundig gezien voldoende open te houden.
  • Tussen de bouwmogelijkheid voor de hospice en de naastgelegen bouwmogelijkheid is voldoende tussenruimte noodzakelijk met het oog op de lichtinval, brandafstand en om het gebied stedenbouwkundig gezien voldoende open te houden.
  • De bouwmogelijkheden dienen voldoende afstand te houden tot het watertje in het noordoostelijke deel van het gebied, dat dient voor de afwatering van het gebied.

Welstandsnota

Naast de bovengenoemde locatiespecifieke stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn de algemene stedenbouwkundige randvoorwaarden en gebiedsgerichte beeldkwaliteitseisen uit de Welstandsnota van toepassing. Zie hiervoor paragraaf 3.2.3 Gemeentelijk beleid onder de kop 'Welstandsnota'.

5.4.1.2 Ontsluiting en parkeren

De ontsluiting van het gebied vindt plaats via een aansluiting op de Wipstrikkerallee.

Voor het parkeren zijn de normen uit de Bouwverordening van toepassing. De locatie ligt in de 'schil' van de stad en wordt aangeduid als 'matig stedelijk gebied'. De locatie is niet gelegen in het Centrumgebied, een A-locatie of B-locatie.

5.4.2 Functionele structuur

Door dit bestemmingsplan wordt de realisatie van maatschappelijke voorzieningen, waaronder een hospice, voor het gebied aan de Wipstrikkerallee (tussen nr. 209/211 en 213) mogelijk gemaakt. Daarnaast worden naast de maatschappelijke functie ook (kleinschalige) bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt.

5.4.2.1 Milieuzonering

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Maatschappelijke voorzieningen

De functie 'maatschappelijke voorzieningen, waaronder een hospice' die mogelijk is in de bestemming Gemengd betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

In de gebouwen binnen de bestemming Gemengd die gerealiseerd mogen worden op de locatie aan de Wipstrikkerallee zijn kleinschalige bedrijfsactiviteiten toegestaan die niet hinderlijk zijn voor het wonen. Om die reden zijn alleen bedrijfsactiviteiten toegestaan die in de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging staan aangeduid als toelaatbaar. Deze bedrijfsactiviteiten behoren tot categorie A en B van de van categorie. Bedrijfsactiviteiten categorie C zijn uitgesloten vanwege de verkeersaantrekkende werking die deze met zich meebrengen. Zie voor een nadere toelichting op deze staat de Algemene verklaring van de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging.

De VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering in de versie van 2009 vormt ook een handreiking om te komen tot een goede ruimtelijke ordening in gebieden met een menging van functies. Daarvoor is een staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging opgesteld. Het gaat daarbij om gebieden waar functiemenging wordt nagestreefd om bijvoorbeeld een grotere levendigheid te bewerkstelligen.

De staat is ingedeeld in de volgende categorieën:

categorie A: voor activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor de scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

categorie B: voor activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.

categorie C: als categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdverkeersinfrastructuur noodzakelijk is.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling hinder ondervindt van bestaande bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving. Zie hiervoor paragraaf 4.2.2 Bedrijvigheid (Wet milieubeheer).

5.5 Water

Afwatering terrein

Het maaiveld van het terrein ligt lager dan de naastgelegen bebouwde kavels. Aan de oostzijde van het terrein ligt een geluidwal met scherm en een afwateringssloot. Op het terrein ligt aan de zijde van de Wipstrikkerallee en aan de zijde van Urbana zligt een dichtgeslibde afwateringssloot.

Om een droog terrein te garanderen, ook tijdens heftige neerslag, wordt geadviseerd het vloerpeil van de bebouwing op 1,40 meter +NAP te leggen. Het advies is het gehele terrein in één keer op te hogen tot 1,30 meter +NAP. Aan de noordwestzijde van het terrein ter plaatse van de locatie van de hospice het hoogteverschil en de afwatering door middel van een talud en een greppel op te lossen. Hiervoor dient een strook van minimaal 2,50 meter gereserveerd te worden.

Om het opgehoogde terrein op een natuurlijke wijze te laten afwateren dienen de sloten langs de Wipstrikkerallee en de geluidwal uitgebaggerd/gegraven te worden. De bodem van de sloten moet op 1,10 meter -NAP komen te liggen. Het advies is de afwateringssloot langs de geluidwal door te trekken en te verdiepen naar 1,10 meter -NAP tot de perceelgrens van de Wipstrikkerallee 211 en deze om te klappen langs de perceelsgrens van Wipstrikkerallee 209.

Riolering

Op de kavel dient een plaats gereserveerd te worden voor een pompput voor een nog aan te leggen persleiding. Onder de ontsluitingsweg dient een DWA riool te worden aangelegd (afvoer van afvalwater). Het hemelwater dient geïnfiltreerd te worden via een infiltratieriool of via waterpasserende klinkers.

5.6 Archeologie

Uitgangspunt is dat archeologische waarden, zoals deze zijn omschreven in paragraaf 2.1.1 Archeologische structuur, worden beschermd. Voor de juridische vertaling van dit uitgangspunt wordt verwezen naar paragraaf 6.3 Bestemmingsregels. Het overgrote resterende deel van het plangebied heeft een archeologische verwachtingswaarde van 50%. Een klein deel heeft een archeologische verwachtingswaarde van 0%.

Bescherming

Gebieden die volgens de archeologische waarderingskaart een vondstkans hebben van 50% of meer (zie hiervoor paragraaf 2.1.1 Archeologische structuur) hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie gekregen. Voor bepaalde ingrepen in de bodem (zie hiervoor paragraaf 6.3 Bestemmingsregels, artikel 9 Waarde - Archeologie) dient de aanvrager van een reguliere omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Aan een reguliere omgevingsvergunning kunnen in dit verband regels worden verbonden.

5.7 Cultuurhistorie

De cultuurhistorische waarden van de ruimtelijke structuur in het gebied worden in de stedenbouwkundige opzet van dit bestemmingsplan gerespecteerd. Zie voor de beschrijving van deze waarden paragraaf 2.1.2 Cultuurhistorische structuur.

Bescherming

De groenvoorziening met waterpartij nabij de aantakking van de Herenweg op de Wipstrikkerallee is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. Het gehele gebied met de geconstateerde cultuurhistorische waarden wordt beschermd door de toekenning van de bestemming 'Groen' aan deze gronden. Door deze regeling zijn de gronden specifiek bestemd voor groenvoorzieningen en water. De gronden met de waardevolle groenvoorziening en waterpartij zijn eigendom van de gemeente.

5.8 Ecologie

Stedelijke hoofdgroenstructuur

De versterking van de stedelijke hoofdgroenstructuur vindt plaats door de bestaande groene waarden te ontzien, en door het bos met vijver en bijzondere bomen een groenbestemming toe te kennen.

Bijzondere bomen

Er komen in het plangebied op enkele plaatsen bijzondere bomen voor. Er worden speciale beschermingsmaatregelen genomen zodat deze bomen niet worden beschadigd. Dit geldt in het bijzonder voor werkzaamheden zoals ophoging binnen de kroonprojecties van de bomen, voor de inrit en de ontsluiting tot het terrein.

Flora- en fauna

In verband met de functie van het plangebied voor vleermuizen wordt terughoudend omgegaan met bomenkap en met buitenverlichting op het terrein.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten

6.1 Inleiding

Dit bestemmingsplan is gemaakt conform het 'Handboek bestemmingsplannen Zwolle' versie 20. Dit handboek is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De regels zijn binnen de systematiek van de SVBP2012 aangepast aan de Zwolse situatie en uitgebreid met extra standaardbestemmingen, waaraan in Zwolle behoefte is. De regels van Hospice Wipstrikkerallee zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied van het bestemmingsplan Hospice Wipstrikkerallee.

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken:

Gevolgd door de volgende bijlagen:

Hoofdstuk 1 Inleidende regels:

De inleidende regels zijn van algemene aard en bestaan uit de volgende regels:

Artikel 1 Begrippen;

Artikel 2 Wijze van meten.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels:

Toelichting op de regels voor de enkelbestemmingen:

Het gehele plangebied is onderverdeeld in enkelbestemmingen. Dit in tegenstelling tot een bestemming die andere bestemmingen als dubbelbestemming overlapt. De dubbelbestemmingen behoeven niet in het gehele plangebied voor te komen.

Een enkelbestemming kan in het plangebied op één plaats, maar ook op meerdere plaatsen voorkomen. De bij deze bestemmingen behorende regels zijn per bestemming in een apart artikel ondergebracht.

Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden.

De opbouw van een bestemmingsregel is als volgt:

  • 1. Bestemmingsomschrijving;
  • 2. Bouwregels;
  • 3. Nadere eisen;
  • 4. Afwijken van de bouwregels;
  • 5. Specifieke gebruiksregels;
  • 6. Afwijken van de gebruiksregels;
  • 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

Per bestemmingsonderdeel wordt hierna een korte toelichting wordt gegeven.

  • 1. Bestemmingsomschrijving:

In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie wordt als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid wordt aangegeven door de zin 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie in de bestemming. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat ook inrichtingsaspecten.

  • 2. Bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld.

Bij woningen wordt een onderscheid gemaakt tussen 'hoofdgebouwen', 'bijbehorende bouwwerken' en 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zonder dak'. Een 'bijbehorend bouwwerk' is een 'uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op het zelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak'. Deze definitie is gelijk aan de definitie in het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Voor de andere functies geldt dat er meestal geen sprake is van 'bijbehorende bouwwerken'. Bij deze functies wordt dan alleen gebruik gemaakt van de begrippen 'gebouwen' en 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde'.

De maatvoering waaraan een (hoofd)gebouw, bijbehorend bouwwerk c.q. bouwwerk, geen gebouw zijnde, dient te voldoen wordt in deze regel opgenomen. De maximum goothoogte en maximum bouwhoogte worden in meters weergegeven, de dakhelling in graden.

De hoogte van de gebouwen wordt op de kaart aangegeven, indien er geen uniforme hoogteregels voor de gehele bestemming van toepassing zijn. Dit wordt in de verbeelding op papier van het plan gedaan door middel van een symbool in de vorm van een rondje verdeeld in een matrix met 2 of 3 vlakken. Linksboven staat bijvoorbeeld de maximum goothoogte in meters vermeld, rechtsboven de maximum bouwhoogte in meters en onderaan staat zo nodig het maximum bebouwingspercentage aangegeven. Het symbool is gekoppeld aan het bouwvlak, of indien er geen bouwvlak aanwezig is, aan het bestemmingsvlak.

  • 3. Nadere eisen:

Op grond van artikel 3.6, eerste lid onder d, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat door burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen worden gesteld. Het betreft hier nadere eisen ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals stedenbouwkundig beeld, woonsituatie, en verkeersveiligheid. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning sturend op te treden door het stellen van nadere eisen. De criteria zijn in de bepaling van nadere eisen zelf opgenomen.

De procedure voor het stellen van nadere eisen is in deze bestemmingsregels omschreven in Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 13 Algemene procedureregels.

  • 4. Afwijken van de bouwregels:

Op grond van artikel 3.6, eerste lid onder c, van de Wro kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat bij een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. In deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de bouwregels waarvan kan worden afgeweken. Een afwijkingsmogelijkheid van de bouwregels wordt alleen opgenomen, indien dit noodzakelijk wordt geacht in verband met het gewenste beleid en het een afwijking of verduidelijking betreft van de algemene afwijkingsregels. De criteria zijn in de afwijkingsregel zelf opgenomen.

De procedure voor het afwijken van de bouwregels is omschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

  • 5. Specifieke gebruiksregels:

In artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo wordt aangegeven dat het verboden is zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Ter verduidelijking worden in een aantal bestemmingen in de specifieke gebruiksregels specifieke vormen van gebruik met name uitgesloten. Dit zijn gebruiksvormen, waarvan het op voorhand gewenst is aan te geven dat deze in ieder geval niet zijn toegestaan.

  • 6. Afwijken van de gebruiksregels:

Bij specifieke gebruiksregels wordt in een aantal bestemmingen een daarop gerichte afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Bij zo'n specifieke afwijkingsbevoegdheid zijn ook hier de criteria opgenomen. Ook deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 3.6, eerste lid onder c, van de Wro

De procedure voor het afwijken van de gebruiksregels is omschreven in de Wabo.

  • 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

Door het opnemen van de eis voor een omgevingsvergunning overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo, kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Het bouwen wordt niet aangemerkt als zo'n inrichtingsactiviteit. De eis voor een dergelijke omgevingsvergunning wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals de landschappelijke of cultuurhistorische waarde. De eis voor deze omgevingsvergunning wordt met de criteria voor vergunningverlening in de bestemmingsregel opgenomen.

Toelichting op de regels voor dubbelbestemmingen:

Een dubbelbestemming wordt opgenomen in een bestemmingsplan wanneer er sprake is van twee functies die onafhankelijk van elkaar op dezelfde plaats voorkomen. Het opnemen van een dubbelbestemming zorgt met het oog op een specifiek belang voor bescherming van het betreffende gebied.

Het betreft in dit plan:

Artikel 8 Leiding - Riool;

Artikel 9 Waarde - Archeologie.

Deze bestemmingen liggen als het ware over de reguliere (enkel)bestemmingen heen. De bestemmingsomschrijving van de dubbelbestemming geeft aan dat de gronden, naast de andere aan die gronden gegeven (enkel)bestemmingen, mede voor deze dubbelbestemming zijn bestemd.

De opbouw van een dubbelbestemmingregel is dezelfde als die van een (enkel)bestemmingsregel, maar alleen die regels worden ter aanvulling opgenomen die noodzakelijk zijn. De regels in de dubbelbestemming geven de verhouding van de enkelbestemming ten opzicht van de dubbelbestemming aan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels:

In de algemene regels zijn de volgende regels in onderstaande volgorde opgenomen:

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel;

Artikel 11 Algemene bouwregels;

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels;

Artikel 13 Algemene procedureregels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels:

In dit laatste hoofdstuk komen de overgangsregels en de slotbepaling aan de orde.

BIJLAGEN BIJ DE REGELS :

Ten slotte zijn als bijlagen bij de regels gevoegd:

6.2 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Hierin worden de in de regels gebruikte begrippen gedefinieerd. Ze zijn alfabetisch gerangschikt met uitzondering van de begrippen plan en bestemmingplan die als eerste zijn genoemd.

Het doel van deze regels is om misverstanden of verschillen in interpretatie te voorkomen. Dit als aanvulling op de gevallen waarbij het woordenboek van Van Dale geen uitsluitsel geeft.

Artikel 2 Wijze van meten

Dit is de handleiding voor de manier van meten van diverse in het plan bepaalde maten.

6.3 Bestemmingsregels

Hierna wordt - voor zover nog nodig - een toelichting op een aantal artikelen van de bestemmingsregels gegeven:

Artikel 3 Gemengd

De bestemming Gemengd maakt de ontwikkeling van de gronden met deze bestemming voor maatschappelijke voorzieningen, waaronder een hospice, mogelijk. Daarnaast zijn ook bijzondere woonvormen mogelijk, zoals bijvoorbeeld begeleid wonen. Bij de begrippen wordt het begrip bijzondere woonvorm: verklaard.

Daarnaast zijn naast de maatschappelijke functie ook (kleinschalige) bedrijfsactiviteiten toegestaan. In de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging staat aangegeven welke functies als kleinschalig bedrijf zijn toegelaten. De toegestane bedrijven behoren tot cat. A en B. Zie hierover ook paragraaf 5.4.2.1 Milieuzonering. Daarbij zijn bedrijfswoningen toegestaan.

Artikel 4 Groen

Uitgangspunten:

  • Het structuurgroen en het buurtgroen is bestemd tot 'Groen'. De overige groengebieden zijn bij de bestemming 'Verkeer - Erftoegangsweg' gevoegd. In de bestemming Groen zijn paden voor langzaam verkeer toegestaan maar geen wegen en parkeervoorzieningen voor snelverkeer. Dit is vast beleid waar niet van zal worden afgeweken.
  • Bermen en groenstroken langs wegen, die geen structuur- of buurtgroen zijn, zijn opgenomen in de verkeersbestemmingen. Binnen deze laatste bestemmingen is een uitwisseling van groen, verkeer en parkeren overal toegestaan.
  • Binnen de bestemming Groen zijn overal trapveldjes en speelvoorzieningen mogelijk.
  • Binnen deze bestemming mogen overal gebouwtjes voor openbare nutsvoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen tot 50 m² en met een goothoogte tot 3 meter en een nokhoogte tot 6 meter worden gebouwd.

Artikel 5 Tuin

Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen en carports bij recht worden gebouwd. Via een afwijking zijn bij een aangrenzend hoofdgebouw behorende bouwwerken wel mogelijk, mits geen aantasting plaatsvindt van de in de afwijkingsbevoegdheid genoemde criteria. Het gaat hier om bebouwing ten behoeve van uitbreiding van hoofdgebouwen, bij een aangrenzend hoofdgebouw behorende bijgebouwen en carports. Tevens moet zo nodig rekening worden gehouden met de Wet geluidhinder.

Artikel 6 Verkeer - Erftoegangsweg

Deze bestemming is opgenomen voor het verkeers- en verblijfsgebied met een erftoegangsfunctie. Het heeft een inrichting gericht op gemengd verkeer in een 30 kilometer gebied. Behalve de rijbanen zelf worden ook de bijbehorende bermen, voetpaden, fietspaden en parkeerplaatsen in de bestemming opgenomen. Ook groenvoorzieningen en speelvoorzieningen zijn als onderdeel van de verblijfsfunctie mogelijk in deze bestemming. Binnen deze bestemming mogen ook gebouwtjes voor openbare nutsvoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen tot 50 m² en met een goothoogte tot 3 meter en een nokhoogte tot 6 meter worden gebouwd.

Artikel 9 Waarde - Archeologie

Uitgangspunten voor deze dubbelbestemming zijn:

  • De gebieden die volgens de gemeentelijke archeologische waarderingskaart een grote vondstkans hebben (50% of meer) zijn mede bestemd tot archeologisch waardevol gebied (zie paragraaf 2.1.1 Archeologische structuur).
  • Bij de regeling voor de dubbelbestemming is nauwe aansluiting gezocht bij de Wet op de archeologische monumentenzorg.
  • Bij verstoringen in de bodem met een grotere diepte dan 0,5 meter en een grotere oppervlakte dan 100 m² zijn specifieke bouwregels en een omgevingsgunningenstelsel conform de regeling uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van toepassing.

6.4 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een perceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 11 Algemene bouwregels

In dit artikel wordt geregeld dat een bouwplan moet voorzien in voldoende ruimte voor parkeren, laden en lossen.
Wat voldoende is, wordt op basis van het algemene parkeerbeleid van de gemeente Zwolle bepaald tijdens de beoordeling van een bouwplan.
Bij een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken, indien anderszins in voldoende ruimte kan worden voorzien. Hierbij kan gedacht worden aan het betalen van een compenserende bijdrage aan de gemeente Zwolle. Ten slotte kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, onder andere op basis van criteria van het algemene parkeerbeleid.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

In deze regels is als eerste de op grond van vaste jurisprudentie vereiste algemene afwijking in de vorm van de zogenaamde 'toverformule' opgenomen. Bij een omgevingsvergunning moet van het gebruiksverbod worden afgeweken, indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Daarnaast wordt in deze regels de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Deze regels zijn niet van toepassing, indien en voor zover er specifieke in de bestemming zelf geregelde afwijkingsregels van toepassing zijn.

Ten slotte zijn de criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels hier opgenomen.

Artikel 13 Algemene procedureregels

Hierin wordt de standaardprocedure bij Zwolse bestemmingsplannen voor de voorbereiding van een besluit tot het stellen van een nadere eis beschreven.

6.5 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Bro is voorgeschreven.

Tevens is een hardheidsclausule opgenomen in de vorm van persoonsgebonden overgangsrecht op de wijze zoals door de regering bij de totstandkoming van het Bro werd aanbevolen.

Artikel 15 Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze regel bevat zowel de aanhalingstitel van het plan, de aanhalingstitel van de regels van het plan als de vaststellingsregel van het plan.

6.6 Bijlagen

Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging

De staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging is een algemene staat die toegepast wordt bij bestemmingsplannen van de gemeente Zwolle. De staat is gebaseerd op het VNG-rapport 'Bedrijven en milieuzonering' van maart 2009. De staat behoort bij de bestemming Gemengd.
De staat maakt als Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging onderdeel uit van de regels en daardoor heeft zij rechtstreekse werking. Een niet in de staat genoemd bedrijf kan dus niet worden gevestigd, evenmin als een wel genoemd bedrijf, dat als niet toelaatbaar staat aangegeven. Een zodanig bedrijf kan in een concreet geval qua aard en invloed op de omgeving toch wel aanvaardbaar zijn. Daarom is voorzien in een afwijking voor gelijkwaardige bedrijven. De formulering is afgestemd op de eisen die de jurisprudentie daaraan stelt.
In Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging is voorafgaand aan de staat een algemene verklaring van de opzet van de staat en de betekenis van de gebruikte afkortingen opgenomen.

6.7 Consequenties van beleid

Voor de wijziging in de planologische situatie voor het gebied wordt verwezen naar paragraaf 5.4 Ontwikkeling.

De functie van de groenvoorziening en de kleine waterpartij nabij de aantakking van de Herenweg op de Wipstrikkerallee wordt op een conserverende manier in dit bestemmingsplan vastgelegd.

6.8 Handhaving

De bestemmingsregels zijn op een dusdanige wijze geformuleerd, dat de handhaving van het bestemmingsplan voor een ieder duidelijk kan zijn. Dit is met name gelegen in de formulering van de specifieke gebruiksregels, waarin een opsomming is opgenomen van de verschillende manieren van gebruik van gronden en bouwwerken die in ieder geval in strijd zijn met de bestemming.

6.9 Handboek

Dit bestemmingsplan is vervaardigd conform de richtlijnen van het 'Handboek bestemmingsplannen Zwolle' versie 20.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Het te ontwikkelen gebied is in eigendom van de gemeente Zwolle. De te verhalen exploitatiekosten en de eventuele planschadekosten zijn via de gronduitgifte verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan voor dit gebied is derhalve niet noodzakelijk en is dan ook achterwege gelaten.

Hoofdstuk 8 Overleg

8.1 Uitkomsten overleg

Rijk

De toenmalige minister van VROM heeft op 26 mei 2009 een brief gezonden aan alle Nederlandse gemeenten, waarin ze onder ander ingaat op de vraag in welke gevallen vooroverleg is vereist met de Rijksdiensten. In deze brief geeft zij aan dat vooroverleg alleen is vereist over plannen wanneer bepaalde nationale belangen gemoeid zijn. Welke nationale belangen dit zijn is opgesomd in een bijlage bij deze brief. Met dit plan is geen nationaal belang gemoeid dat op de bedoelde bijlage voorkomt, waardoor over dit plan geen vooroverleg met de Rijksdiensten gevoerd hoeft te worden.

Provincie

Het plan behoort tot een categorie van gevallen waarvan Gedeputeerde Staten van de Provincie op grond van artikel 3.1.1, tweede lid Bro, hebben beslist dat geen vooroverleg nodig is.

Waterschap

Via www.dewatertoets.nl is het Waterschap Groot Salland op de hoogte gebracht van het plan. Het plan heeft geen invloed op de waterhuishouding. Hiermee is het watertoetsproces doorlopen.

Veiligheidsregio IJsselland

In periodiek overleg met de Veiligheidsregio is het plan besproken. Hierbij is geconcludeerd dat het plan geen belemmeringen kent vanuit het aspect externe veiligheid. Aangegeven is dat in de toelichting van het bestemmingsplan het overstromingsrisico benoemd moet worden.

Hiermee is voldaan aan het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.