direct naar inhoud van 4.2 Milieu
Plan: Westenholte Stins
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0193.BP12015-0002

4.2 Milieu

4.2.1 Geluid

Industrielawaai

Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich het industrieterrein Voorst A, B en C. In dit industriegebied bevinden zich bedrijven behorend tot de zogenaamde A-categorie. Om die reden is het gebied op basis van de Wet geluidhinder gezoneerd met een 50 dB (A) contour. Deze contour is door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 23 april 1991 en goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 1 juli 1991. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, van de gevel van de woningen die op het tijdstip van de vaststelling van een zone binnen de zone aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd zijn, is 55 dB(A), tenzij op dat tijdstip de geluidsbelasting van de bedoelde woningen lager is dan of gelijk is aan 50 dB(A), in welk geval de hoogste toelaatbare geluidsbelasting 50 dB(A) is (artikel 53 lid 2 Wet geluidhinder voorheen artikel 65). Onder geprojecteerd wordt mede verstaan, dat de woningen gebouwd kunnen worden na uitwerking van een goedgekeurd globaal bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan, waar het bestaande planologische regime wordt vastgelegd.

Op 25 februari 1997 is het “Saneringsprogramma industrieterrein Voorst ABC Gemeente Zwolle” door Gedeputeerde Staten van Overijssel vastgesteld. In dit programma wordt voorgesteld de maximale toelaatbare geluidsbelasting van de woningen aan de Stinsweg vast te stellen op 55 dB(A).

In het bestemmingsplan Westenholte zijn voor de uitwerkingslocatie Stins reeds hogere waarden vastgesteld mits aan de uitwerkingsregels wordt voldaan. Hiermee is de afweging industrielawaai versus leefomgevingskwaliteit in het verleden reeds gemaakt en is geconcludeerd dat de leefomgevingskwaliteit acceptabel is indien gebouwd wordt binnen de geluidzone Voorst.

De gronden waar via een uitwerking woningbouw gerealiseerd kan worden liggen buiten het gebied met een geluidsbelasting van maximaal 55 dB(A). Om die reden is geluid geen belemmering voor het uitwerkingsplan en kan zonder vaststelling van hogere grenswaarde het plan uitgewerkt worden.

Gelet op bovenstaande zal bouwen binnen de geluidzone niet leiden tot gevelbelastingen die hoger zijn dan 55 dB(A). Uit een berekening van de geluidsbelasting op de bestemmingsgrens is dit ook gebleken. Daarmee wordt de maximale (verleende) ontheffingswaarde niet overschreden en wordt de minimale leefomgevingskwaliteit voor het aspect industrielawaai gewaarborgd. Het bouwbesluit borgt de wettelijke binnenwaarde voor de woningen. Er wordt een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit gewaarborgd.

Verkeerslawaai

Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de toekomstige geluidsbelasting indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen toestaat voor gebieden die binnen de verplichte onderzoekszone van wegen liggen. Volgens de Wgh heeft iedere weg een geluidszone behalve de volgende wegen:

  • wegen die binnen een woonerf liggen;
  • wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt.

Het bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan, en maakt bij recht geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is in dit kader dan ook niet noodzakelijk.

Uitwerkingsgebied

Met de invoering van de Crisis- en herstelwet is het door wijziging van de Wet geluidhinder mogelijk om voor situaties die betrekking hebben op wegverkeerslawaai ook hogere waarden vast te stellen (en te toetsen) in de procedure voor een uitwerkingsplan. Eerder moest bij het moederplan, waarin de uitwerkingsplicht wordt opgenomen eventueel noodzakelijke hogere waarden worden vastgesteld. In het geval dat er geen hogere waarde wordt vastgesteld bij het moederplan kan thans worden volstaan met een meer globale akoestische beschouwing waarin in ieder geval wordt onderbouwd dat de gewenste uitwerkingsverplichting akoestisch mogelijk is. Voor wegverkeerslawaai is dit bepaald in de artikelen 76 en 77 Wgh.

Wegverkeerslawaai Hasselterweg

Uit de berekening van het wegverkeerslawaai ten gevolge van de Hasselterweg is gebleken dat op een tweetal meetpunten op de bestemmingsrens van de uit te werken woonbestemming de voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen van 48 dB) wordt overschreden op de verdieping (51 dB en 53 dB, zonder aftrek als bedoeld in artikel 110 Wgh). Met de uitwerking van het bestemmingsplan zal hier rekening mee moeten worden gehouden, al dan niet met het verlenen van een hogere waarde. Gelet op de maximaal te verlenen hogere waarde van 63 dB kan geconcludeerd worden dat de uitwerkingsverplichting gelet op het wegverkeerslawaai Hasselterweg uitvoerbaar is.

Wegverkeerslawaai Westenholterallee

Uit de berekening van het wegverkeerslawaai ten gevolge van de Westenholterallee is gebleken dat op een tweetal meetpunten op de bestemmingsgrens van de uit te werken woonbestemming de voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen van 48 dB wordt overschreden op de verdieping (55 dB en 52 dB, zonder aftrek als bedoeld in artikel 110 Wgh) en op één meetpunt op de begane grond en de verdieping (52 dB en 59 dB, zonder aftrek als bedoeld in artikel 110 Wgh). Gelet op de maximaal te verlenen hogere waarde van 63 dB kan geconcludeerd worden dat de uitwerkingsverplichting gelet op het wegverkeerslawaai Westenholterallee uitvoerbaar is.

Conclusie

Met de uitwerking van het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met het wegverkeerslawaai. Afhankelijk van de stedenbouwkundige invulling zal een hogere waarde moeten worden verleend voor de te realiseren woningen. Gelet op de maximaal te verlenen hogere waarde van 63 dB kan geconcludeerd worden dat de uitwerkingsverplichting akoestisch uitvoerbaar is.

Gebiedsgericht milieubeleid

Het plangebied behoort tot het gebiedstype 'groenstedelijk'. Voor dit gebiedstype wordt een ambitieniveau nagestreefd van 43 dB en een grenswaarde van 53 dB. Met de uitwerking van het bestemmingsplan zal rekening worden gehouden met de het gebiedsgericht milieubeleid van de gemeente Zwolle en de daarin verwoorde ambities.

Spoorweglawaai

Binnen het plangebied bevinden zich geen geluidzones van spoorwegen.

4.2.2 Luchtkwaliteit

In het Besluit Luchtkwaliteit zijn normen opgenomen met betrekking tot de kwaliteit van de licht in de nabijheid van wegen. In verband met de inwerkingtreding van dit Besluit is in 2005 onderzocht waar de knelpunten in de gemeente Zwolle te vinden zijn. Uit het laatste onderzoek (rapportage luchtkwaliteit 2005, Zwolle 22 juni 2006) is gebleken dat in het plangebied geen overschrijdingen van de normen van NOx en PM 10 (fijnstof) plaatsvinden.

Uit de Evaluatie Luchtkwaliteitsplan Gemeente Zwolle 2007-2011 van september 2012 blijkt dat metingen en berekeningen laten zien dat er sinds 2010 geen knelpunten meer zijn voor fijnstof binnen de gemeente. Voor stikstofdioxide wordt de norm alleen nog overschreden bij de Burgemeester van Roijensingel, waar veel busverkeer is. Naar verwachting wordt voor 2015 ook daar aan de norm voldaan. Er rijden dan schonere bussen en een aantal busroutes wordt omgeleid

Uitwerkingsgebied

Het bestemmingsplan voorziet via een uitwerkingsplicht in de realisatie van maximaal 20 woningen.

In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Een woningbouwlocatie met maximaal 20 woningen is op grond van de Wet milieubeheer, het Besluit niet in betekende mate bijdragen en de Regeling niet in betekende mate bijdragen aan te merken als een ontwikkeling die in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit in het plangebied is dan ook niet noodzakelijk.

4.2.3 Bodemkwaliteit

In het plangebied zijn circa 20 woningen voorzien, ter plaatse van het onbebouwde gebied tussen de percelen Ridder Zwederlaan 1A, 3, 5, 5A, 7, 9 en Stinsweg 2, 4, 4A, 6, 10, 12, 14, 14A, 14B, 14C, 16, 16A, 16B, 18, 18A, 20, 22. De genoemde adressen zijn, met uitzondering van Ridder Zwederlaan 1A, in gebruik als woonpercelen. Ter plaatse van de Ridder Zwederlaan 1A bevindt zich Begraafplaats Voorst.
Het grootste deel van het onbebouwde terrein is in eigendom bij de Gemeente Zwolle (ZWK, N, 4240, 2470), Bouwfonds Woningbouw (ZWK, N, 4317, 4319), H.V. Lenferink Projecten BV (ZWK, N, 4398, 4399) en ABG Lenferink (ZWK, N, 4397). In de huidige situatie bestaat het onbebouwde gebied uit grasland dat begraasd wordt door kleine (landbouw-) huisdieren (schapen, pony’s). Het beoogde gebruik van het middenterrein betreft wonen met tuin.

Bodeminformatie

In het gemeentelijke bodemarchief zijn diverse bodemonderzoeken uit het plangebied aanwezig. Aanleiding van deze bodemonderzoeken betrof in de meeste gevallen de aanvraag van een bouwvergunning en in een enkel geval een transactie. Bij deze bodemonderzoeken zijn geen noemenswaardige bodemverontreinigingen aangetroffen. Ter plaatse van drie percelen hebben bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden, waarbij de bodem nog niet is onderzocht. Het betreft een voormalige ondergrondse brandstoftank gelegen aan de Ridder Zwederlaan 5, een voormalig tankstation aan de Ridder Zwederlaan 7 en een voormalige smederij aan de Stinsweg 3. Deze percelen maken wel onderdeel uit van het plangebied Westenholte Stins maar bevinden zich buiten het onbebouwde middenterrein. In het gemeentelijke bodemarchief zijn geen bodemonderzoeken van het middenterrein aanwezig. Volgens het bodembeleidsplan van de gemeente mag de locatie op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente (Tauw, kenmerk R001-4603739KLH-afr-V02-NL, 5 februari 2009) als klasse AW2000 (schoon) worden beschouwd, omdat deze niet verdacht is van bodemverontreiniging ten gevolge van het huidige dan wel het historische gebruik en op de locatie geen (al dan niet gesaneerde) bodemverontreiniging aanwezig is. De bodemkwaliteitskaart geeft alleen de gemiddelde bodemkwaliteit van een gebied weer, dus niet de bodemkwaliteit op perceelsniveau. Bij de aanwezigheid van erfverhardingen, kavelpaden, dammen, slootdempingen en ophogingslagen op de locatie kan mogelijk puingerelateerde bodemverontreiniging aanwezig zijn. De gemeentelijke bodemkwaliteitskaart is dan niet van toepassing. Volgens het bodembeleidsplan moet bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen dan een bodemonderzoek (inclusief asbest) worden ingediend.

Conclusie

Op basis van de verzamelde informatie wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit van het plangebied voldoende bekend is voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen of (her)inrichting van het middenterrein kan nog geen vrijstelling van de onderzoeksplicht worden aangevraagd. Geadviseerd wordt om dan een bodemonderzoeksrapport te verlangen, waaruit blijkt dat de bodem van het middenterrein geschikt is voor het beoogde gebruik. Bij de aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging moet formeel een goedgekeurd saneringsplan of BUS-melding worden overlegd. In de praktijk kan de bouwaanvraag meestal verder in procedure wanneer uit een kostenraming blijkt dat de noodzakelijke bodemsanering financieel haalbaar is.

4.2.4 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico's ten gevolge van het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen in bedrijven alsmede het transport van gevaarlijke stoffen via (spoor)wegen, waterwegen en buisleidingen.

Uit het raadplegen van de provinciale risicokaart is gebleken dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een BEVI-inrichting. ook worden geen onaanvaardbare risico's gelopen ten aanzien van transportassen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen beperkingen oplegt aan de uitvoering van het plan.

4.2.5 Ecologie

Het plangebied heeft waarschijnlijk geen natuurwaarden die uitwerking tot een woongebied in de weg staan. Zeker is het voorkomen van Zwanenbloem (FFW, tabel 1). Gezien de omgeving is het niet uitgesloten dat er Konijnen (FFW, tabel1) in het gebied voorkomen. Voor deze beide soorten is geen ontheffing nodig. Wel is de zorgplicht van toepassing.Het voorkomen van vleermuizen(FFW, tabel 3), die het gebied eventueel als foerageergebied gebruiken, is niet uitgesloten. Er is redelijk wat ruigte en er zijn bomenrijen en gebouwen in de omgeving die als foerageergebied en/of als verblijfplaats van vleermuizen dienst kunnen doen. In de gebouwen binnen het plangebied kunnen ook diverse soorten vogels (FFW, tabel vogels) hun permanente verblijfplaats hebben.

Er zal bij uitwerking onderzocht moeten worden, of de functionaliteit van de leefomgeving voor vleermuizen door het plan in stand gehouden wordt. Bij eventuele sloop van gebouwen en het rooien van bomen zal altijd onderzocht moeten worden of er mogelijk permanente verblijfplaatsen van vogels of vleermuizen worden verstoord.

4.2.6 Waterbeheer

Waterkering

In of grenzend aan het plangebied is geen waterkering aanwezig

Water

Grenzend aan het plangebied ligt een watergang waarop de keur van het waterschap Groot Salland van toepassing zijn.

4.2.7 Overstromingsrisico

Quickscan

Het plangebied (zie figuur 1) is gelegen in dijkring 10, Salland. Deze dijkring wordt omsloten door de IJssel aan de westzijde, tussen Zwolle en IJsselmuiden, door het Zwarte Meer aan de noordzijde tussen IJsselmuiden en Genemuiden en door het Zwarte Water aan de oostzijde tussen Genemuiden en Zwolle. Omdat het bestemmingsplan ruimte biedt aan de ontwikkeling van niet incidentele overstromingsgevoelige functies en omdat het plangebied gelegen is in dijkring 53 is een overstromingsrisicoparagraaf verplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP12015-0002_0001.png"

Figuur 1 Dijkring 10

Risico-inventarisatie

Voor de keringen van dijkring 10 is de overschrijdingkans genormeerd op 1/2.000e per jaar. In het project Veiligheid Nederland in Kaart wordt de actuele kans op een overstroming per jaar groter dan 1% geschat. Indien de geïdentificeerde zwakke plekken in de dijkring zijn aangepakt bedraagt de geschatte overstromingskans 1/400e per jaar (Rijkswaterstaat DWW & Jacobs, 2005). Op basis van de provinciale risicokaart wordt de maximale waterdiepte, in het plangebied, voor dijkring 10 tijdens een overstroming, geschat tussen de 0,8 en 2,0 meter. De mogelijke waterdiepte kan daarmee worden aangeduid als ondiep (figuur 2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP12015-0002_0002.png"

Figuur 2 Maximale waterdiepte tijdens een overstroming

Afhankelijk van de locatie waar een dijk doorbreekt zal water dijkring 10 binnen stromen. In figuur 3 zijn twee maatgevende locaties (Westenholte en IJsselmuiden) weergegeven die uiteindelijk zullen leiden tot een waterstand weergegeven in figuur 2 en de snelheid waarmee het water dijkring 10 instroomt (figuur 3). Afhankelijk van de locatie binnen dijkring 10 kan het wenselijk zijn om maatregelen dan wel voorzieningen te treffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0193.BP12015-0002_0003.png"

Figuur 3 Boven: dijkdoorbraak IJsselmuiden Onder: dijkdoorbraak Westenholte (Zwolle)

Maatregelen

Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijkringen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en).

Voor onderhavige ontwikkeling kan worden gedacht aan navolgende voorzieningen/ maatregelen:

  • aanvullend ophogen (voor zover mogelijk) van het plangebied;
  • voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, eventueel verhoogde drempels;
  • aansluiting plangebied op dichtstbijzijnde weg zodat bereikbaarheid gewaarborgd blijft;
  • zodanig inrichten gebouw zodat bij eventuele overstromingen schade zoveel mogelijk wordt beperkt (bijv. materiaalgebruik, minder gevoelige ruimten begane grond);
4.2.8 Energie en duurzaam bouwen

Duurzaam bouwen

Op 8 januari 2007 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Duurzaam Bouwen vastgesteld. Het beleid is van toepassing op gebouwen en grond-, weg- en waterbouw en is erop gericht dat overal een minimaal niveau voor duurzaamheid bereikt moeten worden. De beleidsvisie biedt 2 mogelijkheden voor het realiseren van het minimale niveau. Bouwpartijen kunnen een keuze kunnen maken voor één van beide. De methodes verschillen in flexibiliteit. Eén methode, toepassing van GPR Gebouw geeft maximale flexibiliteit voor de bouwpartijen. Hierbij wordt het minimale niveau meegegeven, waarbij bouwpartijen door selectie uit een keur van maatregelen aan dit niveau kunnen komen. Het andere betreft een lijst van acht maatregelen, waaruit minimaal vijf maatregelen gekozen moeten worden. Dit geeft minder flexibiliteit aan bouwpartijen, maar wel duidelijkheid. Ook het minimale niveau is bovenwettelijk en ligt dus boven het niveau van het Bouwbesluit. Daarom zal gewerkt moeten worden met andere instrumenten, zoals bijvoorbeeld een convenant met de projectontwikkelaars.